ECLI:NL:PHR:1987:AC9971

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 september 1987
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
80730
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 157 SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest brandstichting met gemeen gevaar en levensgevaar

In deze zaak werd verdachte door het hof veroordeeld voor opzettelijke brandstichting waarbij gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen te duchten was. Het hof had meerdaadse samenloop aangenomen, waarbij sprake was van twee afzonderlijke handelingen.

Verdachte had in een woning een theedoek in brand gestoken, hangend aan een wasrek, waardoor gevaar ontstond voor belendende woningen en aanwezige personen. Tegen dit arrest stelde verdachte beroep in cassatie in met drie middelen.

De eerste klacht betrof de aanname van meerdaadse samenloop, waarbij werd betoogd dat slechts één handeling had plaatsgevonden met gevaar voor twee rechtsgoederen. De tweede klacht richtte zich op het niet in acht nemen van eerdere veroordelingen bij de strafoplegging. De derde klacht betrof het onterecht aanhalen van artikelen die betrekking hebben op voorwaardelijke straffen.

De Procureur-Generaal achtte de middelen aannemelijk en adviseerde vernietiging van het arrest en verwijzing naar het hof te Den Haag voor hernieuwde berechting. De Hoge Raad volgde dit advies, waardoor het arrest werd vernietigd en de zaak werd terugverwezen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het hof te Den Haag voor hernieuwde berechting.

Conclusie

HV.
Nr. 80.730
Zitting 9 juni 1987
Mr. Remmelink
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
In deze zaak waarin het Hof requirant in appel heeft veroordeeld ter zake van ‘’opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is’’ (requirant stak in een woning een theedoek, hangend aan een wasrek in brand, terwijl daardoor gevaar voor een of meer van de belendende woningen en levensgevaar voor in die woning(en) aanwezige persoon of personen te duchten was) tot een gevangenisstraf voor de tijd van 5 maanden, tegen welk arrest hij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, zijn namens hem drie middelen van cassatie voorgesteld.
In middel I klaagt requirant erover dat het Hof hier meerdaadse samenloop heeft aangenomen, derhalve heeft vastgesteld, dat hier sprake was van (twee) ‘’opzich zelf staande handelingen’’ (art. 57 Sr Pro.). Met requirant meen ik, dat hier meer te zeggen valt voor de stelling, dat hier slechts een handeling is begaan, die gevaar voor twee rechtsgoederen blijkt te hebben teweeggebracht. Ik heb deze mening vroeger ook reeds verdedigd, (de geëerde steller van het middel herinnert daaraan), en ik houd haar, in alle bescheidenheid gezegd, nog steeds voor verdedigbaar. Het gaat hier nl. niet, zoals dat bij culpoze delicten vaak het geval is, om het veroorzaken van een bepaald gevolg. Vgl. HR 2 juni 1964, VR 1964, 106 en 25 november 1980, NJ 1981, 170. Ook opzetdelicten zijn soms regelrecht op een bepaald gevolg toegesneden. Zo levert het heimelijk fotograferen van meer personen evenzovele inbreuken van de privacy op (art. 139f Sr.). Vgl. HR 25 juni 1974, NJ 1974, 455 met noot Van Veen.
In middel II wordt gesteld, dat het Hof rekening had moeten houden op de voet van art. 63 Sr Pro. met enkele veroordelingen uitgesproken na het begaan van het onderhavige feit, vermeld op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister. Deze klacht lijkt mij, gelet althans op de rechtspraak van Uw Raad (HR 23 september 1980, NJ 1980, 650, e contrario sensu, en 3 januari 1984, NJ 1984, 404), terecht voorgesteld. [1]
In middel III wordt opgemerkt, dat de artt. 14a en 14b ten onrechte zijn aangehaald. Ook dit lijkt mij evidentelijk juist, omdat hier van een voorwaardelijke straf geen sprake is.
De middelen aannemelijk achtend concludeer ik, dat Uw Raad het arrest waarvan beroep zal vernietigen, en de zaak zal verwijzen naar het Hof te Den Haag, teneinde haar op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Voetnoten

1.Zie ook conclusie in de zaak no. 81.672 ([…]).