ECLI:NL:PHR:1987:AD0065

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 september 1987
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
81342
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33b SrArt. 36b SrArt. 36c SrArt. 36d SrArt. 359 lid 5 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onvoldoende motivering onttrekking aan het verkeer verdovende middelen

In deze zaak betrof het een klacht tegen het hof dat het vonnis van de rechtbank bevestigde waarin een maatregel van onttrekking aan het verkeer van twee inbeslaggenomen voorwerpen, te weten cocaïne en hashish, was opgelegd. De rechtbank had zonder nadere motivering deze voorwerpen onttrokken verklaard op grond van artikelen 33b en 36b Sr en artikel 13a van de Opiumwet.

Het hof vulde de motivering aan met een verwijzing naar de aard van de middelen als bedoeld in de Opiumwet, maar gaf geen nadere redenen waarom aan de in de artikelen 36c of 36d Sr gestelde voorwaarden voor onttrekking was voldaan. Dit voldeed niet aan de vereisten van artikel 359 lid 5 in Pro verbinding met artikel 415 Sv Pro.

De Hoge Raad oordeelde dat de motivering van het hof ontoereikend was en dat niet duidelijk was aan welke beperkende voorwaarden voor onttrekking was voldaan. Dit is in lijn met eerdere jurisprudentie waarin het belang van een deugdelijke motivering bij onttrekking aan het verkeer is benadrukt.

Daarom werd het bestreden arrest vernietigd en de zaak verwezen naar een ander hof voor verdere behandeling, waarbij een juiste motivering moet worden gegeven.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en de zaak wordt verwezen naar een ander hof.

Conclusie

Zitting 29 september 1987
Nr. 81.342
na.-
Mr. Meijers
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar college,
De klacht van het namens verzoeker voorgestelde middel is dat het hof, het vonnis van de rechtbank onder aanvulling van de motivering van de opgelegde maatregel van onttrekking aan het verkeer bevestigend, op onvoldoende wijze de redenen heeft aangegeven, die tot die maatregel hebben geleid.
De rechtbank heeft na vermelding, voor zover hier van belang, van de art. 33b en 36b Sr. en art. 13a van de Opiumwet zonder verdere redengeving een tweetal inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen onttrokken verklaard aan het verkeer.
Het hof heeft het vonnis van de eerste rechter aangevuld met de overweging
“dat de inbeslaggenomen cocaïne en hashish respektievelijk middelen zijn als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, die op grond van artikel 13a van die wet en de artikelen 33b en 36b van het Wetboek van Strafrecht worden onttrokken aan het verkeer”.
Met deze overweging heeft het hof niet voldaan aan het in art. 359 lid Pro 5, in verbinding met art. 415 Sv Pro. gegeven voorschrift. Uit de gegeven motivering noch overigens uit het vonnis blijkt immers aan welke van de in de artt. 36c of 36d Sr. bedoelde beperkende voorwaarde(n) is voldaan, ook al moet men aannemen dat verdovende middelen in een zaak als deze naar hun aard vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet. Art. 13a van de Opiumwet zegt dan ook niet dat de voorwerpen, bedoeld in de artt. 2 en 3 van die wet,
kunnenworden onttrokken verklaard aan het verkeer; het schrijft voor dat die voorwerpen worden onttrokken verklaard.
Dat de redengeving van het hof ontoereikend is, is eerder beslist in HR NJ 1968, 362, NJ 1969, 81 en 82, HR DD 86.404 en HR 18 november 1986, nr. 1846.
Het middel is terecht voorgesteld.
Ik concludeer tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,