Conclusie
nietde ambtenaar, die toevallig buurman is.’’
4-9-80 te 10 uur, luidende:
er op 2 sept. j.l. 's avonds een familie-feest gehouden is, waarbij de ouders en o.m. zusters en broers van mevr. G. aanwezig waren. Kennelijk hield dit feestje verband met de verjaardag (2/9) van hr. v.d. E. Dit versterkt mijn mening dat hier toch wel van een econ. eenheid sprake is.’’
rapporteerde hij regelmatigals hij meende dat het uiterlijk gedrag van mevr. G.... aanleiding gaf om haar uitkering te beperken. Dit leidde dan tot
opdrachtenaan de buitendienst, via memo's, die ik ontving om een heronderzoek in te stellen. Na enige malen omtrent die situatie van betrokkene te hebben gerapporteerd
werden de memo's door mij niet meer doorgegeven, wanneer ons duidelijk was dat de memo werd ingegeven door het ongenoegen van de heer V.d. K. over de wijze waarop mevr. G. inhoud aan haar relatie gaf.
de opdrachtenkon verstrekken ....’’ (viermaal cursivering van mij; J. L.).
geenrol spelen. Ik noem er drie:
in het maatschappelijk verkeerin acht behoorde te nemen. Het als produktie overgelegde artikel ''Vies'' van T. Tosijn uit het Welzijnsweekblad van 21 december 1984 heeft, denk ik, een averechts effect. Het misbruikt de term gluren — in de zin van als voyeur optreden en de redactie van het blad maakt zich van het verzoek om rectificatie dan ook af met de voor de auteur fnuikende opmerking ''Een goede columnist is per definitie niet redelijk''. Dat hebben ze waarschijnlijk van Piet Grijs. Ook wanneer de verweerder heeft gehandeld, bezield van — naar zijn inzicht, — edele gevoelens jegens de samenleving, blijft precies dezelfde vraag rechtens overeind als wanneer het hem er om ging een ''bijstandsmoeder'' een extra hak te zetten uit jaloezie dat ze vriend en aanvullende uitkering kon combineren. Die innerlijke gemoedsgesteltenis van het individu, daar heeft zeker het civiele recht niet mee van doen. En bovendien hoe vaak zijn onze motieven maar een mixtum van ‘’grandeur’’ en ‘’misère’’ waar we zelf niet wijs meer uit worden?
als ambtenaarjegens burgers geen onderscheid mag maken, terwijl hij dat wel heeft gedaan door op grond van zijn nabuurschap extra aandacht te besteden aan het privé-leven van de eiseres. Ik meen, dat deze overweging niet zou hebben kunnen gelden als de verweerder een willekeurige buurtgenoot was, en niet een ambtenaar van de G.S.D. In feite wordt dus niet de verweerder als buurman, die toevallig ook ambtenaar bij de G.S.D. is aangesproken maar de ambtenaar bij de G.S.D., die toevallig buurman is (nr. 4 van deze conclusie). Het gelijkheidsbeginsel als neergelegd in art. 1 Grondwet Pro en art. 8 EVRM Pro richt zich tot de overheid: een willekeurige derde kan niet verweten worden, dat hij zijn aandacht alleen richt op zijn directe omgeving.
wegens schending van het gelijkheidsbeginselonrechtmatig zijn.
krachtens opdrachten overeenkomstig zijn bevoegdheid een onderzoek zou instellen naar het doen en laten van een buurtgenoot, die toevallig bijstandsuitkeringen ontving, terwijl onderzoeken bij anderen achterwege bleven, zou
deze ambtenaardan kunnen worden aangesproken wegens schending van het gelijkheidsbeginsel? Dat lijkt mij niet. Ik denk dat men zich zal moeten richten tot de publiekrechtelijke rechtspersoon, als orgaan waarvan de ambtenaar optrad.
Rechtsoverweging 8stelt voorop dat het aan een ieder — in het algemeen — vrijstaat hetgeen hem bekend is door te geven aan anderen en houdt als belangrijke vaststelling in:
Rechtsoverweging 9houdt in dat niet aannemelijk is geworden dat de verstrekte gegevens onjuist waren.
Rechtsoverweging 10stelt vast dat de door de verweerder alleen aan de G.S.D. en niet aan anderen verstrekte gegevens niet als onnodig grievend zijn te beschouwen.
rechtsoverweging 9heb ik — een beetje voortijdig — onder 15a van deze conclusie reeds uiteengezet, dat het aldaar overwogene in cassatie niet langer als betwist kan worden beschouwd. Het is bovendien een feitelijke vaststelling, die in het licht van de in het proces vaststaande gegevens niet onbegrijpelijk is. Daarbij dient mede in aanmerking genomen te worden dat het hier een kort geding betreft alsmede dat de bij repliek in cassatie overgelegde stukken niet ''meedoen''.
op deze wijzetot het kennis- en wetenschapspakket van de indringer in die persoonlijke levenssfeer had mogen gaan behoren. Het is als het waren onrechtmatig vergaard bewijs, dat aldus aan de overheid, in casu de G.S.D. en B en W ter hand wordt gesteld. Anders dan wanneer de overheid door haar bedienaren op onrechtmatige wijze bewijs vergaart, zal
mogelijkerwijsde overheid deze wetenschap van haar tipgever wel mogen gebruiken, maar waar het om gaat is niet, of het doorgegevene juist is, maar of het al dan niet op een onrechtmatige wijze, door schending van de privacy is verkregen.
rechtsoverweging 8, als hiervoor onder 34a weergegeven door het hof is overwogen.
voelde, maar vast is komen te staan dat zij bespied werd.’’
vereenzelvigenmet technische hulpmiddelen, die het waarnemingsvermogen van de mens vergroten of verlengen. De idee, dat de onrechtmatigheid is gelegen in het gebruik van het materiaal — een idee, die in de stukken herhaaldelijk terugkomt — lijkt mij te getuigen van een verkeerde rechtsopvatting. Wie privacy schendt zonder de gegevens die aldus worden verkregen, naar buiten verder te gebruiken (denk aan die voyeurs, of gluurders) handelt reeds onrechtmatig. Wie geen privacy schendt handelt door het gebruik dat hij maakt van de zonder zodanige schending verkregen gegevens, in het algemeen (uitzondering: zwijgplicht etc.) niet onrechtmatig.
niet is gesteld, dat de door de verweerder verstrekte gegevens zijn verzameld op een wijze die inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van de eiseres.
op een wijze, die tegen de persoonlijke levenssfeer van de eiseres indruist. Ook de omstandigheid, dat de eiseres heeft aangevoerd, dat zij zich bespied gevoelde, nadat ze had begrepen dat de verweerder, haar buurtgenoot, de gegevens tegen haar had verzameld kan niet worden afgedaan met de machtsuitspraak, dat dat geen inbreuk op haar privacy oplevert.
achterafopkomen van dat gevoelen: Na twee jaar kom ik te weten dat ik met een telelens iedere dag van 7–10 uur 's avonds bespied wordt door een bewoner van een huis tegenover het mijne. Als ik dan zeg dat ik me nu al drie jaar bespied heb gevoeld, zeg ik dat ik nu weet, dat al die tijd mijn persoonlijke levenssfeer, mijn privacy is geschonden en ik zou niet weten waarom het gedrag van mijn overbuurman dan geen inbreuk heeft opgeleverd op die privacy. Bovendien geef ik aldus te kennen — en dat heeft ook de eiseres kennelijk willen doen — dat ik verdriet en ergernis ondervindt van het gedrag van de verweerder en zo iets heeft te maken met immateriële schade, die namens de eiseres in deze procedure óók met klem is opgevoerd. Daar komt bij dat de eiseres ook op andere wijzen te verstaan heeft gegeven dat zij zich
door de wijze waarop, naar achteraf bleek, de verweerder haar gangen volgde, in haar privacy geschonden achtte: zie onder meer deze conclusie onder 4 en 19.
en zulks m.i. ten onrechte— dat niet is gesteld dat de verweerder achter zijn gegevens is gekomen op een wijze die inbreuk maakte op de privacy van de eiseres, heeft het hof kunnen ontlopen de maatschappelijk centraal staande vraag in deze procedure of men iemands privacy ook kan schenden door
en juistgeacht. Hij is van mening, dat daartoe bijv. gesteld had moeten worden, dat die waarnemingen waren gedaan met gebruikmaking van technische hulpmiddelen, zoals verrekijker, fototoestel, afluisterapparaat e.d.
een bepaalde wijzeoplevert van schending van privacy.
met het opzetdàt deze daarvan onkundig zal blijven. De kat die de muis beloert, wil — voor zover katten kunnen willen — dat de muis hem niet opmerkt of te laat, namelijk als hij reeds tot voedsel dient en als prooi van het jagersinstinct van de kat.
bij zijn onderzoektot de middelen waarop het beroep steunt.’’
welk beeldvan haar betekenis krijgt men dan als de uitslag is dat het optreden van de verweerder niet onrechtmatig is, wat rechtens wil zeggen: ''mag'', ofwel omdat het geen inbreuk op de privacy van de eiseres is, of — eigenlijk erger — omdat het wel zo'n inbreuk is maar deze moet worden aanvaard uit een soort staatsraison (zo voorkomt men dat overheidsgelden verkeerd terechtkomen enz.)? Toch wel
dit beeld: dat
iederdie zo'n zes jaar lang in zijn handel en wandel welhaast dagelijks is bespied (nagegaan moet worden of hij tegenover het regiem in zijn privé-leven wel de juiste houding en geestesgesteldheid heeft) zulks ontdekkend daartegen niet met succes kan optreden
om het te laten ophoudenen dat de bespieder (of een ander) rustig dóór kan gaan met het bespieden. Dat laatste soort vrijheid voltrekt zich nu juist dáár, waar het bespieden in de policy van de staat is opgenomen als noodzakelijk voor de beveiliging van de overheid en haar doeleinden, vaak omdat zij, al dan niet als dictatuur, op de loyaliteit van haar onderdanen niet kan rekenen, maar ook wel omdat zij slechts zó andere — financieel-economische — belangen en doeleinden kan verwerkelijken.
of niet) dáár gaat het in deze procedure om. Willen wij, als juristen dat eerste — en dan is het geen incident of blijft het in ieder geval daar niet bij — of willen wij het niet?
mijncitaat uit het preadvies van Jhr. De Brauw, blz. 8 en 9:
reeds enkele maandengearmd met deze man — wiens personalia zijn opgespoord — op straat loopt; of
reeds enige wekenis bij mevr. G. een ongeveer 45-jarige man in huis, die er
ook slaapt. Of, maar daar weet de Hoge Raad niets van, wie de deelnemers aan het verjaardagsfeestje op 2/9/81 waren enz. enz.
bevoegde ambtenaar(eigenlijk: door de gemeente die daartoe op bevoegde wijze had gehandeld door die ambtenaar te laten observeren) maar dat laatste was dan ook een — belangrijke — grond om — voor zover de privacy van de vrouw was aangetast — zulks als op wettelijke bepalingen gebaseerd en ‘’necessary in a democratic society in the interests of .... the economic well-being of the country’’ aan te merken. Opmerkelijk is dat het hof nog in het bijzonder in aanmerking nam:
metinbreuk van privacy verkregen, zij toch mogen worden doorgegeven, komt mij onjuist voor en overigens niet beslissend in deze procedure. Het gaat er om of de verweerder door te handelen als hij deed, jegens de eiseres onrechtmatig heeft gehandeld. Die onrechtmatigheid zou m.i. niet worden opgeheven als hij toch het recht had die onrechtmatig verworven gegevens door te geven.