Conclusie
Artikel 1623g, 1e–2e al., komt terug op de vraag,
Ad onderdeel a. Dit onderdeel is klaarblijkelijk geïnspireerd door HR 12 maart 1982, NJ 1982, 352 met noot P.A. Stein, in welke zaak een naamgenote van [verweerster] een soortgelijke stelling had betrokken. Uw Raad overwoog in overeenstemming met de conclusie van mijn ambtgenoot Leijten:
hop het oog heeft, zijn niet begrepen de gevallen van een samenleven van ouder en kind zoals dit samenleven bij de geboorte van het kind ontstaat en nadien pleegt te worden voortgezet. Alleen als er na het zelfstandig worden van het kind bijzondere omstandigheden bestaan die ertoe doen besluiten om, wat anders een aflopende samenlevingssituatie zou zijn geweest, tot een blijvende samenwoning met gemeenschappelijke huishouding te maken, kan er reden zijn, een geval van een gemeenschappelijke huishouding gegroeid uit het inwonen van een nog niet zelfstandig kind bij zijn ouder(s) te brengen onder die waarop art. 1623
hvan toepassing is.’’
i.... kennelijk beoogt de bescherming te continueren die de Huurwet indertijd bood aan de overblijvende echtgenoot en andere gezinsleden van de overleden huurder, dient met betrekking tot het begrip ‘’duurzame gemeenschappelijke huishouding’’ in art. 1623
ilid 2 BW niet dezelfde gedachtegang te worden gevolgd als die welke de HR volgde in bovenvermeld arrest met betrekking tot art. 1623
hBW. Zou dat wel het geval zijn, dan zou het door de wetgever beoogde doel van de voortzettingsregeling ingeval van overlijden van de huurder worden gefrustreerd. Hierin wordt geen verandering gebracht door het feit dat in de vierde nota van wijzigingen .... wordt opgemerkt dat de regeling van art. 1623
i.... zoveel mogelijk is afgestemd op het nieuwe art. 1623
h.... Uit niets blijkt immers dat de wetgever daarmee verandering heeft willen brengen in de positie van de achterblijvende gezinsleden, zoals die in de nadere memorie van antwoord met een uitdrukkelijke verwijzing naar de Huurwet is vastgelegd. .... De Rb. is van oordeel dat Sips die sedert zijn geboorte bij zijn — thans overleden — vader-huurder in een gemeenschappelijke huishouding woonde, terwijl niet is gebleken dat hij of zijn vader voornemens waren die gemeenschappelijke huishouding te beëindigen, met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad in de zin als bedoeld in art. 1623
ilid 2 BW’’.
ookminderjarige kinderen als voortzetters kunnen optreden.
Ad onderdeel b. De vraag, of de betaling van kostgeld door de inwonende verwant aan de huurder al dan niet strookt met het voeren van een (duurzame) gemeenschappelijke huishouding, dunkt mij van feitelijke aard en derhalve niet vatbaar voor toetsing in cassatie.