Conclusie
Onderdeel 1betreft de stelling van Nieuw Rotterdam, weergegeven in rov. 7 sub a) van het arrest a quo, dat de Bedrijfsvereniging geen verhaalsrecht heeft omdat, nu [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gehuwd zijn, een regresrecht zozeer in strijd is met de strekking van de WAO - dat een redelijke uitleg van art. 90 WAO Pro meebrengt dat de toepassing van die bepaling achterwege dient te blijven. Het hof heeft deze stelling in rov. 10 verworpen met het argument dat artikel 90 WAO Pro noch beginselen van verzekeringsrecht aan die stelling steun geven.
Onderdeel 2betoogt dat het hof in rov. 9 ten onrechte uit het arrest Rijnstreek III heeft afgeleid dat de Hoge Raad voor het huidige recht geen betekenis meer toekent aan het gezichtspunt, neergelegd in het arrest Rijnstreek II (rov. 3.2), inhoudend dat "in werkelijkheid van een geldend maken van een wettelijke aansprakelijkheid van het ene gezinslid jegens het andere bijna nimmer sprake (zou) zijn, behalve wellicht om aanspraken geldend te maken uit een aansprakelijkheidsverzekering".
Onderdeel 3komt op tegen rov. 13, waarin het hof zijn overweging omtrent de in het Millenaar-arrest (zie boven sub 7) aangenomen beperking op het regresrecht alleen geeft voor het geval dat de aansprakelijke persoon en de verzekerde in gemeenschap van goederen zijn gehuwd. De klacht houdt nu in dat ook wanneer de verzekerde en de aansprakelijke persoon buiten iedere gemeenschap van goederen zijn gehuwd, verhaal achterwege dient te blijven.
Onderdeel 4tenslotte betreft rov. 16, inhoudend dat nu [betrokkene 1] en [betrokkene 2] buiten enige gemeenschap van goederen zijn gehuwd, uitkeringen van de Bedrijfsvereniging aan [betrokkene 2] slechts haar toevloeien en een verhaal van de Bedrijfsvereniging op [betrokkene 1] slechts deze zou treffen. Betoogd wordt dat het hof hiermee heeft miskend dat de uitsluiting van enige gemeenschap van goederen niet afdoet aan de verplichtingen, neergelegd in de artt. 1:81 en 1:84 BW, althans dat 's hofs overweging onbegrijpelijk is.
incidenteel beroepdoor de Bedrijfsvereniging voorgedragen middel acht onjuist 's hofs oordeel in rov. 12 (lees: rov. 11), dat de omstandigheid dat de aansprakelijkheid van [betrokkene 1] (voor de door [betrokkene 2] geleden schade) door verzekering wordt gedekt, moet worden weggedacht, aangezien deze omstandigheid rechtens wel degelijk van belang is dan wel kan zijn voor de vraag of aan de Bedrijfsvereniging op grond van art. 90 WAO Pro juncto art. 6 WAM Pro een zelfstandig en rechtstreeks verhaalsrecht op Nieuw Rotterdam toekomt.