Conclusie
a bisRv. aan den afzonderlijken schuldeiser toegekende recht in diens plaats op de in de wettelijke regeling van het faillissement passende wijze ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers geldend te maken”.
namensde gezamenlijke crediteuren op het beslag kan beroepen, maar dat hij dat ten behoeve van de boedel kan doen.
onderdelen 1 tot en met 4als berustend op een onjuiste rechtsopvatting falen.
Onderdeel 5betoogt dat, ook als aangenomen moet worden dat de bescherming die artikel 504 lid 4 Rv Pro aan de beslagleger geeft bij faillissement niet verloren gaat, alleen de beslagleggende schuldeiser, in casu de Amrobank, zich tegenover de hypotheekhouder daarop kan beroepen, terwijl in dit geding niet gebleken is dat de Amrobank zich jegens de Bank op de relatieve nietigheid van de hypotheekovereenkomst heeft beroepen.
Onderdeel 6berust op de stelling dat de Bank bij verkoop op grond van art. 1233 lid 2 BW Pro niet gehouden zou zijn geweest de gehele opbrengst aan de curator af te dragen. Die stelling gaat echter niet op nu de curator, zich beroepend op art. 505 lid 4 en Pro de daardoor geschapen voorrang, in een geval van verkoop door de Bank op grond van art. 57 F tegenover de Bank aanspraak kon maken op afdracht van de gehele opbrengst, nu deze geringer was dan het bedrag van de vordering waarvoor de Amrobank beslag had gelegd. Ook dit middelonderdeel kan dus niet slagen.
onderdeel 7zelfstandige betekenis, zodat het onbesproken kan blijven.