ECLI:NL:PHR:1988:AD0216
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van art. 32 Wet tarieven burgerlijke zaken op geschil tussen advocaat en rechtsbijstandverzekeraar
De zaak betreft een geschil over de hoogte van het honorarium van een advocaat die rechtsbijstand verleende aan een verzekerde van een rechtsbijstandverzekeraar. De advocaat diende een declaratie in bij de Stichting Rechtsbijstand, het uitvoerend orgaan van de verzekeraar, die betaling weigerde vanwege een te hoog geacht bedrag. De rechtbank stelde vast dat tussen de advocaat en de Stichting een overeenkomst tot het verlenen van rechtshulp was gesloten, waarbij de Stichting gehouden was tot betaling.
De kernvraag was of artikel 32 van Pro de Wet tarieven burgerlijke zaken, dat voorschrijft dat bij geschillen over advocatensalarissen de begroting door de Raad van Toezicht moet plaatsvinden, ook van toepassing is op de relatie tussen advocaat en rechtsbijstandverzekeraar als opdrachtgever. De Hoge Raad concludeerde dat deze regeling ook geldt wanneer niet de cliënt, maar een derde partij als opdrachtgever de declaratie betaalt, mits het geschil uitsluitend de hoogte van het honorarium betreft.
De Hoge Raad verwierp het beroep van de advocaat dat de Stichting geen cliënt was en dat art. 32 niet Pro op deze verhouding van toepassing zou zijn. De Raad benadrukte dat het artikel is bedoeld om een deskundige begroting van het honorarium te waarborgen en dat de regeling redelijk is voor beide partijen. De rechtbank had de onbevoegdheid van de rechter bevestigd omdat de begroting door de Raad van Toezicht ontbrak. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en veroordeelde de advocaat in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat art. 32 Wet tarieven burgerlijke zaken ook geldt voor geschillen tussen advocaat en rechtsbijstandverzekeraar en verklaart de rechtbank onbevoegd wegens ontbreken van begroting door de Raad van Toezicht.