Conclusie
alspedagogewerkzaam zou zijn geworden), verwierp de kantonrechter als niet reëel.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen een vrouwelijke werknemer en haar werkgever over de salarisinschaling bij indiensttreding. De werknemer, na een werkonderbreking wegens privéomstandigheden, werd ingeschaald op een lagere salarisschaal dan haar mannelijke collega's, mede omdat het criterium van het laatstgenoten salaris werd gehanteerd. De kantonrechter oordeelde dat deze inschaling in strijd was met het verbod op indirecte discriminatie op grond van geslacht zoals neergelegd in art. 1637ij BW.
De Hoge Raad bevestigt dat indirecte discriminatie zich voordoet wanneer een neutraal criterium in de praktijk een nadelig effect heeft op een bepaald geslacht, tenzij objectief gerechtvaardigde redenen aanwezig zijn. De jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, met name de arresten Jenkins/Kingsgate en Bilka/Weber, zijn richtinggevend voor de uitleg van indirecte discriminatie.
De werkgever erkende het discriminerende effect van het criterium en toonde zich bereid om rekening te houden met een fictief laatstgenoten salaris, wat leidde tot een hogere inschaling vanaf 1 maart 1981. De Hoge Raad stelt dat het discriminerende karakter van de inschaling vóór die datum nog nader onderzocht moet worden. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de eerdere oordelen worden bekrachtigd.
De uitspraak benadrukt het belang van objectieve rechtvaardiging bij het hanteren van salariscriteria en bevestigt de toepassing van het verbod op indirecte discriminatie in arbeidsverhoudingen. De zaak heeft ook algemene betekenis voor het salarisbeleid binnen gesubsidieerde instellingen en het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het criterium van het laatstgenoten salaris levert indirecte discriminatie op zonder objectieve rechtvaardiging.