ECLI:NL:PHR:1989:9

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 1989
Publicatiedatum
8 december 2020
Zaaknummer
2512
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 552b SvArt. 118 lid 4 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Interpretatie van het begrip belanghebbende bij strafvorderlijk beslag

In deze zaak stond de vraag centraal wie als belanghebbende kan worden aangemerkt bij een strafvorderlijk beslag ex artikel 552a en 552b Wetboek van Strafvordering. De rechtbank Amsterdam had een bank, die een vordering had uit onrechtmatige daad tegen een veroordeelde overvaller, niet-ontvankelijk verklaard in haar beklag tegen het uitblijven van teruggave van inbeslaggenomen goederen.

De Hoge Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat schuldeisers, ook wanneer hun vordering voortkomt uit een misdrijf gepleegd door de beslagene, niet tot de kring van belanghebbenden behoren zoals bedoeld in de genoemde artikelen. Belanghebbenden zijn naast de beslagenen en degenen met een zakelijk recht op de voorwerpen, ook zij die op grond van een overeenkomst een belang hebben bij de beschikkingsmacht over het voorwerp.

De Hoge Raad wees erop dat een ruimere interpretatie van belanghebbende, bijvoorbeeld inclusief schuldeisers met vorderingen uit onrechtmatige daad, de strafvorderlijke procedure zou belasten met civielrechtelijke vraagstukken die niet in deze procedure thuishoren. Dit zou de grenzen van de strafvorderlijke beklagprocedure overschrijden.

Daarom werd het beroep van de bank verworpen en bleef de beslissing van de rechtbank in stand. De Hoge Raad benadrukte dat civielrechtelijke kwesties omtrent vorderingen en eigendomsrechten langs andere wegen moeten worden uitgevochten dan via het strafvorderlijk beslag.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat schuldeisers niet als belanghebbenden in de zin van art. 552a en 552b Sv gelden bij strafvorderlijk beslag.

Conclusie

Nr. 2512 Besch.
Parket, 19 december 1989
Mr. Meijers
Conclusie inzake:
[klaagster]
Edelhoogachtbaar College,
1. In het door Mr. G. Spong namens verzoekster, de NMB, voorgestelde middel wordt bestreden het oordeel van de rechtbank te Amsterdam
‘’dat schuldeisers, ook al is hun vordering ontstaan uit jegens hen door de beslagene gepleegde misdrijven, niet behoren tot de kring van belanghebbenden als bedoeld in de artikelen 552a en 552b van het Wetboek van Strafvordering’’.
2. De rechtbank heeft verzoekster niet ontvankelijk verklaard in haar beklag tegen het uitblijven van een beslissing tot teruggave aan verzoekster van een scanner met voicevervormer, een Rolexhorloge en een gouden ring met diamanten/briljanten met Seikohorloge erin.
3. Uit de gedingstukken, waaronder het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer van de rechtbank, blijkt, voor zover hier van belang,
- dat [betrokkene 1] bij een overval op een kantoor van de NMB een bedrag van ƒ 158.164,95 heeft buit gemaakt, voor welk feit hij bij inmiddels onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank te Amsterdam is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar;
- dat onder [betrokkene 1] onder meer in beslag zijn genomen de hiervoor onder 2 genoemde voorwerpen;
- dat [betrokkene 1] op de wijze als bedoeld in art. 118 lid 4 Sv Pro van die voorwerpen afstand heeft gedaan en
- dat de bank, thans verzoekster, kort nadat [betrokkene 1] de bedoelde afstand had gedaan, onder de Staat conservatoir beslag heeft gelegd op de onder 2 genoemde voorwerpen.
4. Het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank zal aldus moeten worden verstaan dat — naar het oordeel van de rechtbank — de bank weliswaar een vordering uit onrechtmatige daad heeft op degene die bij de overval geld van de bank buit heeft gemaakt, doch dat het bestaan van deze vordering de bank ten aanzien van het op de onder 2 genoemde voorwerpen liggende strafvorderlijk beslag niet tot belanghebbende in de zin van de artt. 552a en 552b Sv maakt.
5. Dat oordeel van de rechtbank komt mij juist voor. Belanghebbenden in de zin van art. 552a en art. 552b Sv zijn naast de beslagenen en degenen die een zakelijk recht op een of meer inbeslaggenomen voorwerpen hebben — ik volg Melai, aant. 3 op art. 552a —
‘’zij die op grond van een overeenkomst belang hebben bij een beschikkingsmacht over het voorwerp: de detentor (te denken valt hierbij aan de huurkoper, de bruiklener, degene die zonder eigenaar te zijn produktiemiddelen onder zich heeft). Ook een verzekeringsmaatschappij kan krachtens subrogatie belanghebbende worden genoemd in de zin van art. 552a’’.
Vgl. Blok-Besier I, p. 338 en Vellinga- Schootstra, Inbeslagneming en huiszoeking, p. 241, waar onder meer wordt verwezen naar HR 11 oktober 1955, NJ 1956, 24: de maatschappij die het inbeslaggenomen voorwerp heeft gefinancierd kan als belanghebbende worden aangemerkt.
6. De interpretatie van het begrip ‘’belanghebbende’’ die het middel met een beroep op wat redelijk en maatschappelijk verantwoord is voorstaat en die daar als ‘’slachtoffer-vriendelijk’’ wordt gepresenteerd biedt, naar ik meen, de rechter die over een beklag tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen of tot herroeping van de verbeurdverklaring van die voorwerpen moet beslissen niet een hanteerbaar uitgangspunt. De rechter komt dan immers voor civielrechtelijke vragen te staan waarvan de beantwoording de grenzen van de strafvorderlijke beklagprocedure te buiten gaat. Een beslissing over die vragen moet langs een andere weg worden uitgelokt.
7. De bestreden beschikking, verstaan zoals hiervoor onder 4 is weergegeven, geeft niet blijk van een verkeerde rechtsopvatting omtrent de term ‘’belanghebbende’’ in de art. 552a en 552b Sv.
8. Nu de rechtbank de vóórvraag van de ontvankelijkheid van verzoekster ontkennend beantwoordde, moest een uitdrukkelijk oordeel over de vraag of het op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord was de bedoelde voorwerpen aan verzoekster ‘’terug’’ te geven achterwege blijven.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,