Conclusie
Rekest nr. 7535
Beëindiging huur woonruimte
Parket, 16 juni 1989
[verzoeker]tegen
[verweerster]
een 4
everdiepingen van de percelen [a-straat 1] en [a-straat 2] te [plaats].
Het aanbod van [verzoeker] tot het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst betreft niet dezelfde woonruimte als bedoeld in artikel 1623 e lid 1 onder ten 4e BW nu de aangeboden woonruimte aanmerkelijk minder ruimte bevat dan de woonruimte die krachtens de huidige overeenkomst door [verzoeker] aan [verweerster] wordt verhuurd. De overwegingen van de kantonrechter dienaangaande zijn dan ook juist. De grief faalt daarmee"(beschikking 30 november 1988, blz. 5 onder 8).
voorhuis ([a-straat 2]); het eveneens verhuurde, maar onbewoonbaar verklaarde
achterhuis (Noordermarkt no. 2) wil de verhuurder gerenoveerd zien.
De bepaling van art. 1623" (cassatieverzoekschrift, blz. 3).
Met Valkhoff in Sociaal-Economische Wetgeving, 2…" (blz. 648).
edruk 1987, blz. 124, alsmede Bockwinkel, Verkenningen omtrent het nieuwe huurrecht woonruimte, 1982, blz. 157/158.
dat slechts wijzigingsvoorstellen die géén consequenties voor de huurprijs, c.q. voor de bijkomende kosten hebben, en mogelijk ook: wijzigingsvoorstellen waarbij de consequenties ten aanzien van de huurprijs c.q. de bijkomende kosten in de context van het voorstel als geheel verwaarloosbaar gering zijn, een grond voor ontruiming als bedoeld in artikel 1623 lid 1 sub Pro 4⁰ BW kunnen opleveren" (blz. 2557 rk.),
aanmerkelijk minder ruimte bevat dan de woonruimte die krachtens de huidige overeenkomst door [verzoeker] aan [verweerster] wordt verhuurd".
edruk 1986, blz. 152).
onbetekenendgedeelte van verhuurde. Vgl. onderdeel 7 van deze conclusie.
anderewoning zou kunnen betreffen. Vgl. onderdeel 3 van deze conclusie.