ECLI:NL:PHR:1990:1
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortgezette handeling bij valsheid in geschrift en oplichting
In deze zaak stond de vraag centraal of valsheid in geschrift en oplichting als één voortgezette handeling in de zin van art. 56 Sr Pro konden worden beschouwd. Het Hof had geoordeeld dat het tijdsverschil en de verschillende aard en plaats van de handelingen een voortgezette handeling uitsloten.
De valsheid in geschrift betrof een contract over de bouw van een schip met een onjuiste bouwsom, terwijl de oplichting bestond uit het verkrijgen van een te hoge WIR-premie van de overheid op basis van dat valse contract. De feiten vonden plaats op verschillende momenten, respectievelijk 26 januari 1984 en 6 september 1984.
De verdediging voerde aan dat deze feiten wel als één voortgezette handeling moesten worden gezien, maar de Hoge Raad volgde het Hof en verwierp het cassatiemiddel. De Hoge Raad vond het tijdsverschil en de materieel verschillende gedragingen voldoende om de afzonderlijke beoordeling te rechtvaardigen.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het Hof in stand bleef.
Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; arrest Hof blijft in stand met veroordeling voor valsheid in geschrift en oplichting.