Conclusie
Vennootschapsbelasting 1981
Derde Kamer A
Parket, 31 mei 1990
Parket bij de Hoge Raad
Belanghebbende, een internationale houdstermaatschappij binnen een concern, voerde via een complexe kapitaalstorting en leningenstructuur transacties uit die de Nederlandse belastinggrondslag substantieel verminderden. De Inspecteur stelde de definitieve aanslag vennootschapsbelasting 1981 vast met toepassing van artikel 31 AWR Pro, gericht op het negeren van rechtshandelingen die verijdeling van belastingheffing beogen.
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de transacties niet met het oog op verijdeling van belastingheffing waren aangegaan en dat artikel 31 AWR Pro daarom niet van toepassing was. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel, stellende dat het hof ten onrechte de aanwezigheid van verijdeling ontkende.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat de Inspecteur onvoldoende had aangetoond dat verijdeling de doorslaggevende beweegreden was. Tevens werd overwogen dat het rulingbeleid van de Nederlandse belastingdienst beperkingen stelt aan de toepassing van artikel 31 AWR Pro, omdat bepaalde praktijken door rulings worden gesanctioneerd en gereguleerd.
De uitspraak benadrukt dat het vertrouwen dat belastingplichtigen mogen hebben in het fiscale beleid en rulings gerespecteerd moet worden, en dat een te strikte toepassing van artikel 31 AWR Pro niet verenigbaar is met dit vertrouwen en met het internationale karakter van de Nederlandse fiscale positie.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel van het hof dat de aanslag met toepassing van artikel 31 AWR Pro niet terecht was vastgesteld.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat toepassing van artikel 31 AWR niet gerechtvaardigd is omdat verijdeling van belastingheffing niet de doorslaggevende beweegreden was.