ECLI:NL:PHR:1990:5
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg van verduistering in artikel 359 Sr en afwijzing cassatiemiddelen
In deze zaak heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad een conclusie genomen over de interpretatie van het begrip 'verduisteren' in artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Verzoekster stelde dat het niet afgedragen geld niet als verduistering kon worden aangemerkt omdat zij het geld door een ander misdrijf, namelijk verduistering van koffie en bekers, had verkregen. De conclusie verduidelijkt dat verduistering in artikel 359 Sr Pro inhoudt het wegmaken van hetgeen men onder zich heeft, zonder dat het uitmaakt of dit goed al dan niet door een misdrijf onder zich was gebracht.
Het hof had het bewijsverweer van verzoekster verworpen en het bewezenverklaarde op basis van de bewijsmiddelen vastgesteld. De Procureur-Generaal concludeert dat de middelen van cassatie ongegrond zijn en adviseert tot verwerping van het beroep. Hiermee bevestigt de Hoge Raad de ruime uitleg van verduistering en de rechtmatigheid van het bewijs en de verwerping van het verweer.
Deze conclusie is van belang voor de strafrechtelijke interpretatie van verduistering en bevestigt dat het begrip niet beperkt is tot het verduisteren van rechtmatig verkregen goederen, maar ook goederen die door een misdrijf zijn verkregen kunnen worden verduisterd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ruime uitleg van verduistering in artikel 359 Sr.