Conclusie
tertiumnondatur. Uit het stelsel van de Arubaanse loterijwetgeving is derhalve geen argument te halen om anders te oordelen dan in 1916.
bisSr. verbiedt het opzettelijk teweegbrengen of bevorderen van ontucht, zodat de verkoop van een "club" niet rechtstreeks door het verbod wordt getroffen. Het hof had geoordeeld dat zulk een verkoop in strijd was met de openbare orde of de goede zeden; in cassatie stond centraal de vraag of de gesloten overeenkomst door inhoud of strekking in strijd kwam met de goede zeden. In casu moet men evenwel aannemen dat de overeenkomst rechtstreeks in strijd is met de wet: het verkopen, te koop aanbieden, afleveren of uitdelen van aandelen in een niet goedgekeurde loterij is verboden, evenals het "op enige andere wijze de deelneming in zodanige loterij" openstellen of openlijk bevorderen (art. 2, sub 2, Loterijverordening). Het hof gaat er ook uitdrukkelijk van uit dat catoochi een bij de wet verboden overeenkomst is. Daar staat niet aan in de weg dat de strafsanctie de verkoper treft en niet de koper.
bisSr. ook thans nog leidt tot nietigheid van overeenkomsten inzake verkoop van een "club", nog toegevoegd dat zo'n overeenkomst nietig kan zijn wegens strijd met de goede zeden wanneer zij bv. uitbuiting van prostituées of andere misbruiken in de hand zou werken.