Conclusie
[A] NV
de eerste klacht van onderdeel 1 van het middelmet het, door HR 23 mei 1980, NJ 1980, 502 PAS (Nebig/Nolen) geïnspireerde betoog, dat een overeenkomst als in casu neergelegd in het S.P., beoogt bij voorbaat de discussie uit te sluiten niet alleen over de hoogte van de voorziening in geval van kennelijk onredelijk ontslag, maar ook over de vraag of een ontslag zonder zodanige voorziening al dan niet kennelijk onredelijk is. En indien de overeenkomst ook met laatstgenoemd oogmerk zou zijn gesloten, dan zou deze ook de curator in het faillissement van de werkgever binden.
de tweede klacht van onderdeel 1faalt m.i. Nu [A] en de bonden de krachtens het S.P. uit te keren vergoedingen hebben beschouwd als ‘’voorzieningen’’ in de zin van art. 1639s BW, kan een werknemer aan het S.P. geen rechten ontlenen indien er, ook zonder die voorzieningen, geen sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag in de zin van art. 1639s BW.
de derde klacht van het onderdeelvoortbouwt op de beide vorige klachten kan het, evenmin als deze, slagen. Het betoog, dat een overeenkomst tussen werkgever en werknemer waarbij een ontslag wegens bedrijfsredenen zonder voorzieningen tussen hen als kennelijk onredelijk zal gelden, onverschillig of dit ontslag gegeven wordt voor of tijdens het faillissement van de werkgever, gaat mij, gelet op het boven sub 3. vermelde, te ver.