ECLI:NL:PHR:1990:AD1168
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling of ontucht door biologische vader valt onder ontucht met 'zijn minderjarig kind' in art. 249 Sr
In deze zaak stond de vraag centraal of de term 'zijn minderjarig kind' in art. 249 eerste Pro lid Sr ook het biologische, niet-erkende en bloedschennige kind van een man omvat. De rechtbank had de verdachte veroordeeld voor ontucht met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, en het hof had dit uitgebreid tot het biologische kind, waarmee het hof een ruimere interpretatie gaf aan de term.
De Hoge Raad overwoog dat de strekking van art. 249 Sr Pro is om minderjarigen te beschermen die door een gezagsverhouding of afhankelijkheid minder weerstand kunnen bieden. Het enkele biologische vaderschap schept echter geen juridische gezagsverhouding en dus geen beschermingsgrond zoals bedoeld in art. 249 Sr Pro. De wetsgeschiedenis en eerdere jurisprudentie ondersteunen deze beperkte uitleg.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak terug. Tevens werd benadrukt dat de bescherming van het kind in een dergelijk geval kan worden gevonden in andere strafbepalingen, zoals art. 247 Sr Pro of de strafbaarstelling van ontucht met aan zorg toevertrouwde minderjarigen.
De conclusie is dat ontucht door een biologische vader niet automatisch onder art. 249 Sr Pro valt tenzij er sprake is van een gezagsverhouding. Dit oordeel sluit aan bij de bedoeling van de wetgever en de wetsgeschiedenis, waarbij het juridische gezag centraal staat voor de strafbaarstelling in art. 249 Sr Pro.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd omdat ontucht door een biologische vader niet automatisch valt onder art. 249 Sr zonder juridische gezagsverhouding.