Conclusie
Middel Ikeert zich tegen r.o. 3.8 van het bestreden vonnis en stelt de vraag aan de orde of een door de eerste rechter niet behandeld verweer, dat de appellant in eerste aanleg heeft gevoerd, doch in hoger beroep niet heeft herhaald en niet uitdrukkelijk in zijn grieven heeft betrokken, door de appelrechter behoort te worden onderzocht.
binnenhet door de appelgrieven ontsloten gebied ook acht dient te slaan op de in de eerste aanleg aangevoerde, maar nog niet behandelde verweermiddelen c.q. middelen van de eis, tenzij blijkt dat deze uitdrukkelijk zijn prijsgegeven. Zie o.m. HR 17 december 1982, NJ 1982, 480; HR 10 februari 1984, NJ 1984, 437; HR 10 juni 1988, NJ 1989, 30 nt. JBMV. De vraag die het middel opwerpt heeft echter niet betrekking op de vraag naar de taak van de appelrechter binnen het eenmaal vastgestelde terrein van de rechtsstrijd in hoger beroep, maar op de vraag naar de afbakening van die rechtsstrijd.
middel II, dat zich richt tegen een ten overvloede door de rechtbank gegeven overweging, wegens gebrek aan belang falen.
Middel IIIklaagt erover dat de rechtbank geheel voorbij is gegaan aan het – langs de weg van grief IV – door [eiseres] gedane verzoek tot matiging van de eventueel toe te wijzen loonvordering.