ECLI:NL:PHR:1991:AB9873

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 april 1991
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
7872 rek.nr
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling recht op informatie over kinderen bij ontzegging omgangsrecht

Uit een in 1981 ontbonden huwelijk zijn twee kinderen geboren. De moeder werd tot voogdes benoemd en de vader tot toeziend voogd. Na intrekking van een omgangsregeling in 1984 heeft de vader vergeefs geprobeerd een nieuwe regeling te verkrijgen. In 1988 werd hem een straatverbod opgelegd, inclusief een verbod op contact met moeder en kinderen.

In 1990 verzocht de vader om een informatieregeling, die door de kinderrechter werd afgewezen vanwege de negatieve impact op de kinderen en hun recht op privacy. Het hof bevestigde dit oordeel, wijzend op de bezwaren van de kinderen en hun behandeling bij het RIAGG, en stelde dat het recht van de vader op informatie moet wijken voor het recht van de kinderen op bescherming volgens artikel 8 EVRM Pro.

De vader stelde cassatie in met het argument dat het recht op informatie een minimale vorm van gezinsleven is en dat ontzegging daarvan een zwaardere motivering vereist. De moeder stelde voorwaardelijk incidenteel cassatie in, stellende dat de vader geen recht op informatie heeft. De Hoge Raad oordeelde dat de vader in beginsel recht heeft op informatie, maar dat dit recht niet zwaarder gemotiveerd hoeft te worden dan het omgangsrecht. De belangenafweging van het hof was begrijpelijk en het cassatiemiddel werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader wordt verworpen; het recht op informatie kan worden beperkt ter bescherming van het kind.

Conclusie

Rekest nr. 7872
Parket, 21 februari 1991
Mr. Moltmaker
Conclusie inzake
[de vader]
tegen
[de moeder]
Edelhoogachtbaar College,
1
Feiten en procesgang
1.1 Uit het tussen partijen in 1981 door echtscheiding ontbonden huwelijk werden twee kinderen geboren in 1974 resp. 1977. Verweerster in cassatie (de moeder) werd tot voogdes benoemd en verzoeker tot cassatie (de vader) tot toeziend voogd.
1.2 Een aanvankelijk vastgestelde omgangsregeling werd in 1984 door de rechtbank ingetrokken. De vader heeft daarna nog enkele malen zonder succes bij de rechter om het opnieuw vaststellen van een omgangsregeling gevraagd. In 1988 werd hem bij vonnis in kort geding een straatverbod opgelegd en — kort gezegd — een verbod om op enigerlei wijze contact met de moeder en/of de kinderen te zoeken.
1.3 Bij inleidend verzoekschrift van 22 januari 1990 heeft de vader om een informatieregeling verzocht, welke door de kinderrechter is afgewezen.
1.4 De kinderrechter overwoog, dat onder de gegeven omstandigheden het verstrekken van informatie en foto's zoveel spanningen en onrust bij de kinderen teweeg zou brengen, dat dit hen zeer ten nadele zou komen. Bovendien zou het verstrekken van informatie en foto's zonder dat de kinderen daarvan op de hoogte zijn, volstrekt in strijd zijn met het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, welk recht ook geldt voor jeugdigen van de leeftijd van deze kinderen.
1.5 In hoger beroep overweegt het hof, dat de beslissing van de kinderrechter terecht en op goede gronden is genomen, zodat die beschikking dient te worden bekrachtigd. Het hof voegt daar nog aan toe, dat ter zitting is gebleken, dat de kinderen tegen het verstrekken van de gevraagde informatie ernstige bezwaren hebben en dat zij beide in behandeling zijn bij het RIAGG, hetgeen er op wijst dat zij reeds aan spanningen onderhevig zijn. Onder die omstandigheden moet volgens het hof het recht van de vader om geïnformeerd te worden over het wel en wee van zijn kinderen wijken voor het recht van de kinderen overeenkomstig art. 8, lid 2, EVRM.
1.6 De vader heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. In het cassatiemiddel wordt betoogd, dat het recht op informatie een zo minimale vorm van het recht op gezinsleven is, dat ontzegging daarvan een zwaardere motivering eist dan die welke het hof aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd.
1.7 De moeder heeft een verweerschrift in cassatie ingediend, waarbij zij tevens een voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel heeft voorgesteld, inhoudende dat het hof ten onrechte heeft aangenomen, dat de vader in beginsel een recht op informatie heeft.
2
Beoordeling van het principale cassatiemiddel
2.1 In overeenstemming met de beschikkingen van uw Raad van 8 febr. 1991, nrs. 7766 en 7818, is het hof er terecht van uitgegaan, dat de vader in beginsel een recht op informatie heeft. Indien het door de moeder voorgestelde voorwaardelijk incidentele cassatiemiddel aan de orde zou komen, zou dit derhalve niet kunnen slagen.
2.2 Gelet op het in de vorenbedoelde beschikkingen gelegde verband tussen het omgangsrecht en het recht op informatie, zie ik geen reden waarom voor het ontzeggen van het recht op informatie zwaardere motiveringseisen zouden gelden dan voor het ontzeggen van een omgangsrecht.
2.3 Gelet op de voorgeschiedenis zoals die blijkt uit de stukken en uit het behandelde ter zitting van het hof, acht ik het niet onbegrijpelijk dat de door het hof toegepaste belangenafweging ten gunste van de (moeder en de) kinderen en ten nadele van de vader is uitgevallen. Het hof behoefde in zijn motivering van dit feitelijke oordeel niet afzonderlijk in te gaan op al hetgeen door de vader is aangevoerd. Het door de vader voorgestelde middel faalt derhalve.
3
Conclusie
Het principale cassatiemiddel ongegrond bevindend, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,