Conclusie
onderdeel 1aan de orde gestelde vraag of die werkzaamheden behoorden tot de publieke taak van de Gemeente en, indien die vraag bevestigend moet worden beantwoord, voorts om de door de volgende onderdelen bestreken vraag of de Gemeente de kosten daarvan nochtans kan verhalen op Rize. Daarbij gaat het dan om verschillende mogelijke grondslagen voor die vordering, te weten (a) hulploon krachtens de in het zeerecht geregelde hulpverlening (
onderdelen 2 en 3), (b) zaakwaarneming (
onderdeel 4) of (c) onrechtmatige daad (
onderdeel 5). Ik geef er de voorkeur aan om deze vragen telkens per onderdeel te behandelen.
Onderdeel 1van het middel bestrijdt als onjuist het oordeel van het hof, vervat in r.o. 5.1 tot en met 5.4 van het bestreden arrest, dat de Gemeente handelde in de uitoefening van haar in art. 1 lid 4 Brandweerwet omschreven publiekrechtelijke brandweertaak. Het onderdeel strekt ten betoge dat nu het gaat om een brand op een schip, de Gemeente niet die taak heeft. Hier is het bepaalde in de art. 545–576 (oud) K [7] van toepassing, aldus het middel [8] .
tevensvalt onder hulp als bedoeld in art. 545 (oud) K daar los van staat.
onderdeel 2wordt stelling genomen tegen r.o. 6.3 van's hofs arrest, waarin het hof heeft verworpen het betoog van de Gemeente dat — ik volg nu de weergave in r.o. 6.1 van het arrest — na het sein ''brand meester'' zich de situatie voordeed van gevaar voor schip en lading, waarbij hulp diende te worden geboden, dat de kapitein en de rechthebbenden, die niet in staat bleken ondanks de expliciete aanmaning van de commandant van de brandweer tot lossing en berging van de lading over te gaan, stilzwijgend de hulp van de brandweer bleven aanvaarden en dat Rize door feitelijke gedragingen van de kapitein of van de scheepsagent het toerekenbare vertrouwen jegens de brandweer heeft gevestigd dat men de (voortgezette) dienstverlening van de brandweer verlangde.
Subonderdeel akeert zich tegen r.o. 6.2 waarin het hof verwerpt een argument van de Gemeente ter ondersteuning van haar stelling dat Rize bij haar het vertrouwen heeft gewekt dat men de (voortgezette) dienstverlening van de brandweer verlangde, nl. dat de extra dure preventieve blusmaatregelen zijn getroffen in het belang van schip en lading en niet ter voorkoming van gevaar voor levens en omgeving. Het hof oordeelt dat ''dit laatste'', d.w.z. dat de dure maatregelen niet dienden ter voorkoming van gevaar voor levens en omgeving, niet kan worden aanvaard om redenen die het uiteenzet in r.o. 5.6.
subonderdeel 2 b.
Subonderdeel 2 cmist feitelijke grondslag omdat wat het hof in r.o. 6.3 overweegt mijns inziens geenszins dwingt tot de gevolgtrekking dat naar 's hofs oordeel een hulpovereenkomst als bedoeld in art. 545 lid 1 laatste volzin (oud) K ''niet denkbaar zou zijn indien de hulpverlener een Gemeente is die handelt in de uitoefening van haar in art. 1 lid 4 Brandweerwet 1985 omschreven taak''. Het hof heeft naar ik meen slechts geoordeeld dat in het onderhavige geval de Gemeente niet mocht vertrouwen dat Rize aanvaard heeft dat de Gemeente op hulploon aanspraak zou maken. Meer lees ik niet in het arrest, met name niet dat volgens het hof de Gemeente geen overeenkomst tot hulpverlening, betrekking hebbende op de assistentie van de brandweer, zou hebben kunnen sluiten met Rize. Gelet echter op het uitgangspunt dat de Gemeente wettelijk verplicht is om voor brandbestrijding te zorgen vindt het hof kennelijk dat zo'n overeenkomst niet te snel kan worden aangenomen via het opgewekte vertrouwen. Dat lijkt me overigens ook juist als ik bij dat uitgangspunt in aanmerking neem dat men aanneemt dat de enkele toestemming (uitdrukkelijk of stilzwijgend) van de kapitein tot hulpverlening, nog geen overeenkomst tot hulpverlening laat ontstaan [18] , althans dat men niet te snel dient te concluderen tot het bestaan van een overeenkomst tot hulpverlening [19] .
Onderdeel 3klaagt — ik vat samen — dat het hof heeft miskend, althans onbesproken heeft gelaten de stelling van de Gemeente, dat zij ook buiten een overeenkomst tot hulpverlening aanspraak heeft op hulploon ingevolge art. 552 (oud) K, waaraan niet afdoet dat zij haar in art. 1 lid 4 Brandweerwet 1985 bedoelde taak vervulde.
Onderdeel 4keert zich tegen de verwerping door het hof in r.o. 6.7 van de grondslag zaakwaarneming die de Gemeente aan haar vordering heeft gegeven.
loon, nl. om de potentiële hulpverleners heen te helpen ‘’over de bezwaren hun lijf en goed ten bate van anderen in de waagschaal te stellen [22] ’’, zal de omstandigheid dat in een bepaald geval deze spreekwoordelijke worst voor de neus niet nodig is omdat de hulpverlener van elders een rechtsplicht heeft tot verlening van de hulp die is geboden, van invloed kunnen zijn op de vraag of aanspraak bestaat op hulploon.
meest geëigend zijn, geen rechten kunnen worden geheven’’.
Onderdeel 5bestrijdt de afwijzing door het hof van de door de Gemeente aan haar vordering gegeven grondslag onrechtmatige daad. De derde appelgrief van de Gemeente richtte zich tegen de overweging van de rechtbank onder 5.3 dat — zoals het hof in r.o. 7 samenvat — het te kort schieten van Rize afdoende (brand)veiligheidsmaatregelen te treffen niet onrechtmatig is tegenover de Gemeente. De vierde appelgrief richtte zich tegen r.o. 5.4 en 5.5 van het vonnis van de rechtbank. Het hof vindt dat deze grieven zich lenen voor gezamenlijke behandeling.
Subonderdeel 5 aklaagt, kort gezegd, dat uit r.o. 7.1 en 7.4 blijkt dat de Gemeente geen verhaalsrecht heeft om de enkele reden dat haar in art. 1 lid 4 Brandweerwet 1985 omschreven taak zich niet verdraagt met zulk verhaal.
schadevordert op grond van de stelling dat de gedaagde jegens haar een onrechtmatige daad heeft gepleegd, een door art. 1401 BW (oud), thans art. 6:162 BW beschermd belang heeft, doet niet meer terzake sedert HR 9 februari 1990, NJ 1991, 462 (m.nt. C.J.H. Brunner) inzake Staat/Van Amersfoort [44] .
in beginselwillen aansluiten bij degenen die menen dat de kosten van brandbestrijding niet verhaalbaar zijn op de betrokkenen langs de privaatrechtelijke weg van de onrechtmatige daad, omdat in het algemeen het feit dat men brand heeft laten ontstaan niet onrechtmatig kan worden geacht jegens de overheid in verband met de kosten die zij moet maken voor de brandbestrijding. Die kosten worden langs andere — publiekrechtelijke — weg bestreden, te weten via de belastingen.
Subonderdeel 5 bklaagt er over dat het hof in r.o. 7.2 heeft geoordeeld dat er van uit mag worden gegaan dat er van de zijde van Rize geen sprake is geweest van opzet of grove schuld, omdat het hof met name zou hebben miskend dat de rechtbank die kwestie in het midden heeft gelaten gelet op haar oordeel in r.o. 5.3 van haar vonnis dat in casu niet zou zijn voldaan aan het relativiteitsvereiste.
Subonderdeel cfaalt m.i. omdat het hof in het bestreden onderdeel van r.o. 7.2 tot uitdrukking heeft gebracht dat Rize er op grond van de bedoelde circulaires en van het niet bestreden feit dat ''gemeenten zich aan de gedragslijn als bedoeld in genoemde circulaires plegen te houden'', waarmee het hof bedoelt dat in Nederland in het algemeen gemeenten zich daaraan plegen te houden, op heeft mogen vertrouwen dat de Gemeente zich eveneens aan die gedragslijn — geen verhaal van brandweerkosten, althans niet in andere gevallen dan waarin sprake is van opzet of grove schuld — zou houden en dat Rize er daarom niet op behoefde te rekenen dat de Gemeente in deze een ander beleid zou voeren. Daarmee heeft het hof m.i. geen rechtsregel geschonden.
Subonderdeel 5 dkan m.i. evenmin slagen. Het keert zich tegen de laatste zin van r.o. 1.1 en de laatste zin van r.o. 7.2 en tegen 7.3. Het gaat hier om de vraag of de kapitein bevoegd was om de lading op eigen gezag te laten lossen.