Conclusie
gecodificeerdalgemeen beginsel van behoorlijk bestuur, zoals het in art. 1 Gw Pro. en art. 26 IVBPR Pro neergelegde gelijkheidsbeginsel (waarop in deze zaak mede een beroep is gedaan), een onrechtmatige daad kan opleveren, behoeft nauwelijks betoog. In zulk een geval is sprake van handelen in strijd met een wettelijke plicht in de zin van art. 6:162 (rechtsplicht in de zin van art. 1401 (oud) BW.
aan [verweerder]stellen van de aansluitingseis rechtmatig was.
ook in 1985) naar behoren te kunnen verrichten.
in 1985bewezen had het werk naar behoren te kunnen verrichten. Uit het feit dat het werk
tweemaalaan [verweerder] was gegund, heeft het hof kennelijk afgeleid dat [verweerder] daarmee bewezen had het werk naar behoren te kunnen verrichten. Die conclusie is begrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.
12. Het stond het hof vrij — hoewel het dat m.i. niet gedaan heeft — uit de gedingstukken af te leiden dat [verweerder] het op dit punt bij het juiste eind had. Maar ook al zou de provincie op dit stuk gelijk hebben, dan zou dat niet afdoen aan de bevindingen van het hof, omdat niet is bestreden dat [verweerder] het werk in 1983 naar behoren had verricht.