Conclusie
4.1.1is de
eerste klachtgericht tegen de beslissing van het hof dat niet tot een openbare behandeling zou worden overgegaan. In de toelichting op deze klacht wordt naar voren gebracht dat, nu er rond de onderhavige zaak al veel publiciteit was geweest, een besloten behandeling van de zaak onjuist was. Dit gold vooral nu a) tijdens de openbare strafzaak tegen [betrokkene 1] (enige dagen voor 's hofs zitting in de onderhavige zaak) in aanwezigheid van de pers de gehele behandeling van patiënte en de invloed van klager op de ziektegeschiedenis van patiënte uitgebreid aan de orde was geweest, en b) klager zelf in de voorafgaande periode herhaalde malen de publiciteit had gezocht via radio en televisie en hij dus kennelijk weinig waarde hechtte aan bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer. Ook wordt onjuist geacht dat het Hof zich beroept op het algemeen belang om niet ambtshalve tot openbaarheid over te gaan, temeer nu het Hof het begrip "algemeen belang" niet heeft omschreven en het Hof dit begrip eveneens hanteert als argument om in het openbaar uitspraak te doen.
tweede klachtwordt opgemerkt dat het niet in het openbaar behandelen van de onderhavige zaak in strijd is met de Nederlandse rechtsorde, waarbij gewezen wordt op het karakter van het medisch tuchtrecht alsmede op de in het tuchtrecht voorkomende open normen. Bovendien zou er sprake zijn van onevenwichtigheid wanneer de behandeling niet in het openbaar plaatsvindt maar het uitspreken van het vonnis wel.
4.1.2wordt erover geklaagd dat het hof ten onrechte de nota van de raadsman niet heeft geaccepteerd, daarmee art. 43 lid 2 uit Pro het Reglement medisch tuchtrecht schendend. Bovendien had het hof de door [de arts] overgelegde boeken als tot de processtukken behorend moeten accepteren; het terugzenden van deze boeken zou in strijd zijn met het beginsel van fair trial van het EVRM. De klachten falen naar mijn mening.
4.1.3wordt sub 1 geklaagd dat het hof ten onrechte [betrokkene 3] tot deskundige heeft benoemd, daarbij voorbijgaand aan de bezwaren van [de arts] . Deze klacht kan niet slagen, aangezien de beslissing om een deskundige aan te wijzen aan het hof was voorbehouden en geenszins blijkt dat het hof zijn beslissing niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft genomen. Het hof was ook niet gehouden een der door [de arts] voorgestelde personen, woonachtig in de Verenigde Staten resp. India, tot deskundige te benoemen. Men zie voor bepalingen waarin de voormelde vrijheid is neergelegd art. 40 in Pro verbinding met de art. 87 en Pro 91 Reglement medisch tuchtrecht (vergelijk de conclusie van A-G Ten Kate, met name nrs. 33a–d, voor HR 24 oktober 1986, NJ 1987, 355), art. 221 Rv Pro. en 227 Sv. Ten overvloede herinner ik eraan dat de persoon over wie geklaagd wordt, de bevoegdheid heeft zelf een deskundige uit te nodigen (art. 41).
4.2wordt geklaagd dat de beslissing van het hof ten aanzien van de vaststelling van de feiten niet naar behoren is gemotiveerd. De klacht faalt. In de overwegingen van het hof wordt ingegaan op de door [de arts] naar voren gebrachte bezwaren ten aanzien van de feitenvaststelling door het medisch tuchtcollege. Zie bijv. 's hofs oordeel omtrent het tijdstip waarop [de arts] op 19 april arriveerde en het oordeel van het hof ten aanzien van het door [de arts] verrichte diagnostisch onderzoek; beide beslissingen wijken af van het oordeel van het medisch tuchtcollege. De andere bezwaren zijn door het hof — zie r.o. 4.12 t/m 4.28 — impliciet doch voldoende gemotiveerd verworpen.
4.3hebben betrekking op de verwerping door het hof van de voorgedragen grieven (sub 1) en bevatten voorts "overige bezwaren tegen de beoordeling door het hof" (sub 2). Ik meen dat al deze klachten falen en dat de reden daarvoor niet voor elke klacht afzonderlijk behoeft te worden uiteengezet. 's Hofs beslissingen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, zij zijn niet onbegrijpelijk en het hof heeft geen essentiële stellingen van [de arts] buiten beschouwing gelaten.
5(inzake de opgelegde straf en de motivering) zijn gericht tegen de r.o. 5–7, met name tegen de r.o. 5.1 en 5.3. Zij falen omdat die overwegingen feitelijk van aard en tegen de achtergrond van de stukken van het geding geenszins onbegrijpelijk zijn.