Conclusie
moettoewijzen. De mogelijkheid om met inachtneming van de omstandigheden van het geval te beslissen, blijft derhalve onverlet."
onderdeel 2 a en 2 bvan het cassatiemiddel r.o. 5.3 op een andere manier leest, mist het feitelijke grondslag. Voorzover het van een andere rechtsopvatting uitgaat of deze verdedigt, faalt het. Hetzelfde geldt voor
onderdeel 5 sub a-d. Het belang van de verhuurder die zelf de gehuurde bedrijfsruimte wil exploiteren en/of in de nabijheid ervan al daadwerkelijk een concurrerende onderneming exploiteert, kan pas aan de orde komen nadat is vastgesteld dat [verweerster] een zwaarwichtig belang heeft bij indeplaatsstelling.
Onderdeel 3voert een procesrechtelijke grond aan: het feitelijk gegeven dat [verweerster] op 800 meter afstand een tweede supermarkt exploiteert, zou [verweerster] niet meer aan haar grieven ten grondslag hebben gelegd. Ook anderszins zou zij er zich in appel niet meer op hebben beroepen, zodat het de rechtbank niet vrijstond hierop haar beslissing te baseren.
Onderdeel 4bevat de materieelrechtelijke klacht dat de bescherming van de concurrentiepositie van een elders door de huurder in een ander pand geëxploiteerde onderneming, behoudens wellicht bijzondere omstandigheden, niet behoort tot de belangen die bij de beoordeling of sprake is van een zwaarwichtig belang in de zin van art. 1635 BW Pro (oud) in aanmerking mogen worden genomen, althans daarbij de doorslag mogen geven.
onderdeel 5 sub d. Op zichzelf is juist dat de wetsgeschiedenis (memorie van antwoord, p. 11) inhoudt dat wanneer de huurder zijn bedrijf ook kan overdragen aan een kandidaat-huurder die wel de instemming van de verhuurder heeft en dezelfde voordelen voor de huurder oplevert, hij dit moet doen op straffe van gemis van een zwaarwichtig belang. Uit het voorgaande volgt echter dat wanneer de kandidaat-huurder tevens de verhuurder is, aan het vereiste van "dezelfde voordelen" niet is voldaan, althans dat vanwege het ontbreken van vrije concurrentie en de dwangpositie waarin - uitgaande van het door het middel verdedigde stelsel - de huurder dan verkeert, een zakelijk-objectieve vergelijking op voorhand onmogelijk is.
Onderdeel 6richt zich tegen r.o. 5.6 en 5.7 van het vonnis, waarin de rechtbank de belangen van Dekamarkt tégen de indeplaatsstelling weegt. Die belangen zijn gelegen in de omstandigheid dat zij het verkooppunt zelf in handen wil krijgen, liefst meteen en als dat niet kan in ieder geval in 1994.
Onderdeel 7van het cassatiemiddel bestrijdt de beslissing van de rechtbank dat de in reconventie gevorderde ontbinding niet aan de orde is "nu de in conventie gevorderde indeplaatsstelling zal worden gegeven".