ECLI:NL:PHR:1992:AB8028
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt medeplegen invoer hasj en behandelt redelijke termijn in hoger beroep
In deze strafzaak werd verdachte door het hof Arnhem veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf wegens medeplegen van invoer van hasj. Verdachte had een auto gehuurd om het verdere vervoer van de hasj binnen Nederland mogelijk te maken.
Verdachte stelde in cassatie twee middelen aan de orde: ten eerste dat de redelijke termijn was overschreden door het tijdsverloop van ruim 22 maanden tussen het vonnis van de rechtbank en de behandeling in hoger beroep, en ten tweede dat het bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen volgde omdat de term "handeling" in art. 1.4 Opiumwet beperkt zou zijn tot handelingen na feitelijke invoer van de drugs.
De Hoge Raad oordeelde dat hoewel het tijdsverloop langer was dan wenselijk, dit niet onredelijk lang was in de zin van art. 6 EVRM Pro, mede gelet op het moment van inverzekeringstelling en het instellen van het hoger beroep. Ook wees de Hoge Raad het tweede middel af, stellende dat de term "handeling" niet beperkt is tot handelingen na feitelijke invoer, en dat het hof terecht had geoordeeld dat het huren van de auto nog steeds bijdroeg aan het verdere vervoer toen de hasj in Nederland arriveerde.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het arrest van het hof Arnhem.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling voor medeplegen invoer hasj werd bevestigd met een voorwaardelijke gevangenisstraf.