Conclusie
Zitting 17 december 1993
Aldus de Rechtbank.
Middel Ikomt op tegen het oordeel van de Rechtbank dat de tweede etage met zolder als onzelfstandig moet worden aangemerkt omdat de toegangsdeur op de gang van de eerste etage niet kan gelden als een eigen toegang in de zin van de wet. De Rechtbank gaat er kennelijk vanuit, aldus het middel, dat eerst sprake kan zijn van een zelfstandige woonruimte indien wordt beschikt over een voordeur aan de straatkant met een eigen trap. Daarmee miskent de Rechtbank, aldus [eisers] , dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat slechts het beschikken over alle wezenlijke voorzieningen essentieel is voor het zelfstandige karakter van een woonruimte, en niet het beschikken over een eigen toegang of aparte deur (laat staan over een eigen voordeur).
Dat hier sprake is van cumulatieve vereisten blijkt reeds uit de tekst van de wet nu in art. 7A:1623a lid 3 BW de volgende omschrijving van het begrip zelfstandige woning wordt gegeven: "Onder zelfstandige woning wordt verstaan de woning welke een eigen toegang heeft
en(onderstreping van mij; DVL) welke de bewoner kan bewonen zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten de woning."
Middel IIbetoogt dat het oordeel van de Rechtbank daarop neerkomt dat "als de eerste etage "onvrij" is,
dááromde tweede etage (welke op zich de kenmerken van een zelfstandige woonruimte in zich draagt) dat ook is". Gesteld wordt dat de Rechtbank aldus miskent dat uitgangspunt van de betreffende wettelijke bepaling is of de ruimte waar de
onderhuurderverblijft, zelfstandig is.
Binnen het in artikel 1623a van het Burgerlijk Wetboek omschreven begrip zelfstandige woning zal redelijkerwijs ook begrepen kunnen worden de zogenaamde onvrije woning, te weten een woning waarbij de bewoner voor wezenlijke voorzieningen niet afhankelijk is van gemeenschappelijke voorzieningen, maar waarbij verscheidene vertrekken afsluitbaar zijn en bereikbaar via een gemeenschappelijke verkeersruimte. Indien deze vertrekken afsluitbaar zijn en bereikbaar via een gemeenschappelijke verkeersruimte waarover anderen niet krachtens zakelijk of persoonlijk recht bij uitsluiting zeggenschap hebben, wordt deze woning als zelfstandige woning gewaardeerd."
De Rechtbank is van oordeel dat in casu het voortduren van de onderhuurovereenkomst met betrekking tot de tweede etage een reële belemmering voor de hoofdverhuurder oplevert om het vrijgekomen gedeelte van de woning (de door [betrokkene 1] bewoonde eerste etage) te verhuren. Het middel ziet eraan voorbij dat de Rechtbank juist in dat verband spreekt over een eerste etage die "onvrij" is doordat [eisers] hun woonruimte alleen kunnen bereiken via de met de bewoner van de eerste etage gemeenschappelijk te gebruiken voordeur, trap en "diens" overloop. Ik voeg hier nog aan toe dat de Rechtbank met de woorden "diens overloop" kennelijk beoogt aan te geven dat [eisers] in feite geen enkele zeggenschap over de overloop hadden, zodat die overloop - gemeten naar het criterium van de hiervoor geciteerde toelichting bij bijlage I van het Besluit huurprijzen woonruimte - geen "gemeenschappelijke verkeersruimte" kan zijn en de woonruimte van [eisers] geen zelfstandige woning met een eigen toegang.
Middel IIIbevat geen zelfstandige klacht en zal derhalve het lot van de overige middelen moeten delen.