ECLI:NL:PHR:1993:13
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens overtreding artikel 41 Wegenverkeerswet en toetsing aan mensenrechtenverdragen
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een veroordeling wegens overtreding van artikel 41, eerste lid, van de Wegenverkeerswet. De verzoekster werd door het hof veroordeeld tot een geldboete, die bij niet-betaling werd vervangen door hechtenis. Het cassatiemiddel richt zich tegen de verwerping van het verweer dat toepassing van artikel 41 Wegenverkeerswet Pro in strijd is met artikel 14, lid 3, IVBPR en artikel 6, tweede lid, EVRM.
De Hoge Raad constateert dat het hof niet is ingegaan op het verweer met betrekking tot artikel 6, lid 2 EVRM, en dat het verweer ten aanzien van artikel 14 IVBPR Pro onvoldoende is gemotiveerd verworpen. De Hoge Raad bespreekt de materiële bezwaren en verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin werd geoordeeld dat het oude artikel 40 Wegenverkeerswet Pro niet in strijd was met artikel 6 EVRM Pro. De wetswijziging van 1988 wijzigde de verplichting van de bestuurder naar de eigenaar of houder van het motorrijtuig, wat gevolgen heeft voor de toepasselijkheid van het artikel.
De Hoge Raad benadrukt dat artikel 41 Wegenverkeerswet Pro niet bedoeld is voor situaties waarin tegen de persoon een 'criminal charge' bestaat, waarbij die persoon niet verplicht is tot antwoorden. In de onderhavige zaak is niet vastgesteld of sprake was van een dergelijke situatie. Het hof heeft deze vraag niet beantwoord, wat een onjuiste rechtsgang is. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar een ander hof voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar een ander hof wegens onvoldoende beantwoording van het mensenrechtenverweer.