ECLI:NL:PHR:1993:18
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vervolging van de Staat voor bodemverontreiniging op defensieterrein
Op 2 februari 1992 vond er een kerosinelekkage plaats op de vliegbasis Volkel, waarbij de Staat als verdachte werd aangemerkt. De rechtbank verwierp het verweer van de Staat dat hij niet vervolgbaar zou zijn en sprak de Staat schuldig zonder strafoplegging. De Hoge Raad kreeg de vraag voorgelegd of de Staat als publiekrechtelijke rechtspersoon strafrechtelijk vervolgbaar is.
De conclusie van de Procureur-Generaal benadrukt dat hoewel publiekrechtelijke rechtspersonen in bepaalde gevallen strafrechtelijk aansprakelijk kunnen zijn, de Staat als drager van typische overheidstaken niet vervolgbaar is. Dit wordt onderbouwd met jurisprudentie, literatuur en staatsrechtelijke overwegingen, waaronder het belang van de scheiding der machten en de politieke controle via het parlement.
De conclusie wijst op de praktische en principiële bezwaren tegen strafrechtelijke vervolging van de Staat, zoals de hiërarchie tussen vervolger en vervolgde en het vestzak-broekzak effect. Ook wordt benadrukt dat milieuschade adequaat kan worden aangepakt via administratieve en politieke middelen.
De Hoge Raad concludeert dat de officier van justitie niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de Staat voor het onderhavige feit, waarmee de strafrechtelijke immuniteit van de Staat voor typische overheidstaken wordt bevestigd.
Uitkomst: De officier van justitie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de Staat wegens bodemverontreiniging.