ECLI:NL:PHR:1993:19
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid en redelijke termijn bij beklagprocedure inzake beslag en verbeurdverklaring geldbedrag
Klaagster had een bedrag van ƒ 43.360,-- in beslag genomen gekregen in verband met verdenking van drugshandel en deelname aan een criminele organisatie. De vervolging tegen klaagster eindigde met kennisgeving van niet verdere vervolging, terwijl het bedrag in een strafzaak tegen haar partner verbeurd werd verklaard.
De rechtbank verklaarde klaagster niet-ontvankelijk in haar beklag tot teruggave van het geldbedrag. De Hoge Raad oordeelt dat zolang de verbeurdverklaring nog niet onherroepelijk is, op grond van art. 552a Sv een klaagschrift kan worden ingediend bij het gerecht waar de zaak wordt vervolgd, in dit geval het Hof. De rechtbank was daarom onbevoegd.
Daarnaast werd het middel dat sprake zou zijn van schending van het recht op een redelijke termijn (art. 6 EVRM Pro) verworpen, omdat het tijdsverloop van ongeveer anderhalf jaar tussen het instellen van cassatie en de beslissing niet onredelijk is. De Hoge Raad bepaalt dat stukken ter verdere behandeling naar het bevoegde Hof worden gezonden.
De procedure verduidelijkt de toepasselijkheid van art. 6 EVRM Pro op beklagprocedures en de juiste bevoegde rechter bij beklag over beslag en verbeurdverklaring, en benadrukt de noodzaak van redelijke wetstoepassing en correcte procedurele afhandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank en verklaart deze onbevoegd, waarna de stukken naar het bevoegde Hof worden gezonden.