ECLI:NL:PHR:1993:24
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling teruggave inbeslaggenomen zaak aan derde-klager in strafprocedure
In deze zaak gaat het om een beklag tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam om het verzoek tot teruggave van een inbeslaggenomen auto aan de verzoeker ongegrond te verklaren. De verzoeker stelde dat de auto aan hem teruggegeven moest worden, terwijl de rechtbank oordeelde dat de auto aan een derde, de rechtsopvolger van de bestolene, moest worden teruggegeven omdat dit redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord was.
De kern van het geschil betreft de uitleg van artikel 552a WvSv en de rol van het oordeel van het Openbaar Ministerie (OM) bij de teruggave van inbeslaggenomen zaken. De rechtbank volgde het OM-standpunt dat de auto aan de beslagene teruggegeven moest worden, maar vond dat zij bij meerdere belanghebbenden moest afgaan op wat redelijk en maatschappelijk verantwoord was.
De Hoge Raad bevestigt dat de strafrechter niet gebonden is aan het OM-standpunt dat de teruggave uitsluitend aan de beslagene mag plaatsvinden. Bij meerdere belanghebbenden kan de strafrechter ook andere civielrechtelijke overwegingen betrekken om te bepalen aan wie de zaak moet worden teruggegeven. Het middel van de verzoeker wordt verworpen en het beklag ongegrond verklaard.
Hierdoor wordt bevestigd dat de strafrechter niet in de burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties treedt, maar wel rekening houdt met redelijkheid en maatschappelijke onaanvaardbaarheid bij de teruggavebeslissing.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de teruggave van de inbeslaggenomen auto aan de derde wordt bevestigd.