Conclusie
Coöperatieve Vereniging Cavo-Latuco B.A.
Coöperatieve Vereniging Pre-Mervo W.A.
Onderdeel 1is gericht tegen de beslissing van het hof, hierboven weergegeven onder nr. 2. Het onderdeel faalt m.i. omdat die beslissing niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, niet onbegrijpelijk is en zich voor het overige niet voor toetsing in cassatie leent. Vgl. HR 24 dec. 1982, RvdW 1983, 20; 15 maart 1991, NJ 1991, 416 ([…] en […]/[…]); 7 juni 1991, NJ 1991, 525 (Wijnopslag/Codex); 5 juni 1992, NJ 1992, 565; 23 okt. 1992, nr. 14754 ([…]/[…]); en 8 jan. 1993, nr. 14866 ([…]/ZGH).
Onderdeel 2komt op tegen de beslissingen van het hof, hierboven weergegeven in nr. 3. Het onderdeel bevat drie klachten.
onderdeel 3terecht is voorgesteld.
Onderdeel 4tenslotte is gericht tegen r.o. 3.5 van het eindarrest. Het hof heeft hier het door [eisers] gedane beroep op grove schuld van Cavo, in verband waarmee Cavo zich niet te goeder trouw op het exoneratiebeding zou kunnen beroepen, afgewezen op twee gronden die die beslissing zelfstandig kunnen dragen. Het onderdeel keert zich tegen beide gronden, doch m.i. tevergeefs.