Conclusie
Nr. 15.502 en 15.503
Zitting 4 november 1994
De feitenvaststelling door rb. en hof is nogal rudimentair. Uit de stukken krijgt men de indruk dat het om twee soorten transacties ging. In een eerste fase was sprake van een aantal speculatieve transacties; zij speelden zich af in een tijd waarin de onroerend-goedprijzen, midden en eind jaren zeventig, aanhoudend stegen en waarin het wel leek alsof een hypotheekbank zich nooit een buil zou kunnen vallen. In de tweede fase, na de instorting van de onroerend-goedmarkt, poogde de Bank de zwakste debiteuren kwijt te raken door in onderpand gegeven percelen te doen doorverkopen aan sterkere debiteuren, die daartoe opnieuw hypothecair krediet verkregen. In die fase kreeg de koper als het ware hypothecair krediet om de aflossing van de hypotheek van de verkoper mogelijk te maken; maar er staat niet helemaal vast of dit inderdaad het beleid was van de Bank dan wel of domweg bepaalde debiteuren door de toenmalige bankdirectie zijn bevoordeeld. Het averechtse resultaat van deze zg. draaien schuiftransacties was in elk geval dat de aangehouden waarde van de onderpanden bleef stijgen, soms aanzienlijk, in weerwil van de algemene slapte op het prijzenfront. In enkele extreme gevallen werd een waarde aangehouden die een veelvoud beliep van de kort daarvoor overeengekomen koopprijs. Toen de onroerend-goedprijzen ook na enkele jaren niet begonnen aan te trekken, moest dit voor de Bank wel verkeerd aflopen.
a). Dat de notaris ontkend heeft bij de benadeling "betrokken” te zijn (subonderd. 1
b) staat niet in de weg aan de ontvankelijkheid maar betreft het geschil zelf. Of de notaris voor eigen handelen wordt aangesproken dan wel voor dat van zijn plaatsvervanger (subonderd. 1
c) is eveneens zonder belang voor de ontvankelijkheid. En de stelling dat curatoren niet voor de gezamenlijke schuldeisers zouden kunnen optreden omdat dezen geen homogene groep zouden vormen (subonderd. 1
den 1
e) is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt; zonder nadere uitwerking is bv. niet in te zien waarom individuele schuldeisers zich in hun eigen verhaalsrechten aangetast kunnen voelen door het optreden van curatoren. Dat ook het ontstaansmoment van de vorderingen der schuldeisers niet ter zake doet voor de ontvankelijkheid, volgt uit de stelling van curatoren dat de gezamenlijke schuldeisers in het faillissement als groep benadeeld zijn door het gewraakte gedrag van de beide notarissen. Zie ook het aangehaalde arrest van 1991 (r.o. 3.2). Er zijn situaties denkbaar waarin het optreden van curatoren in wezen slechts strekt tot bescherming van de belangen van bepaalde schuldeisers, maar curatoren stellen in het onderhavige geval juist dat de schuldeisers als groep benadeeld zijn doordat de boedel benadeeld is, en daartegen is door de notarissen onvoldoende ingebracht. Zie voorts P. van Schilfgaarde, nt. bij arrest van 1983 in AA 33 (1984) p. 221 e.v.; Schoordijk, Als vertegenwoordiger van wie treedt de faillissementscurator op? in: Goed en trouw (Opstellen-Van der Grinten, Zwolle 1984) p. 531; Losbl. Fw., aantek. 12 op art. 42; concl. mr Hartkamp in zaak no. 15.511 (Poot/ABP) d.d. 14 okt. j.l., p. 14-15.
dschijnt dit te willen betwisten. Het erkent "dat curatoren enkel ageren namens de gezamenlijke schuldeisers" en niet mede op grond van een recht dat de Bank zelf zou toekomen. Die omstandigheid zou echter niet uitsluiten dat als "grondslag" voor de vordering mede onrechtmatig optreden jegens de Bank zou zijn aangevoerd. Dit subtiele onderscheid vermag mij niet te overtuigen; het lijkt mij bovendien in strijd met de houding die curatoren zelf in appel hebben ingenomen. Zie mem. v. antw. incid. appel p. 4 (in beide zaken), waar de "juridische struktuur" van de vordering van curatoren aldus wordt omschreven dat de vordering er een is ter zake van onrechtmatige daden, "waarbij de daad steeds inhield benadeling van de gezamenlijke crediteuren van de [A] ", d.i. de Bank, door deelneming aan de verstrekking van onvoldoende gedekte hypothecaire leningen.
Men kan dit, wat onvriendelijker, ook aldus zeggen dat curatoren ervoor gekozen hebben hun vordering te doen steunen op onrechtmatig handelen jegens de gezamenlijke schuldeisers van de Bank, niet jegens de Bank zelf, zodat aan de notarissen het beroep op eigen schuld van de gelaedeerde uit handen werd geslagen. Als consequentie van die keus moeten curatoren dan echter aanvaarden dat de omvang van de zorgplicht van de notaris niet noodzakelijkerwijs dezelfde is.
aongegrond. De crediteuren hadden als groep slechts één belang bij de transacties die de Bank vòòr haar faillissement aanging, nl. dat deze de solvabiliteit van de Bank niet zouden aantasten. De zorgplicht van de notaris jegens de crediteuren van de Bank kan daarom niet verder reiken dan tot bescherming van dit belang. De vraag, die het middel aan de orde probeert te stellen, of de Bank destijds handelde op een manier die niet meer in haar belang kon zijn, ligt buiten het aldus omgrensde terrein.
Subonderdeel 1
c, dat de algemene klacht in andere vorm herhaalt, en subonderdeel 1
b, dat een motiveringsklacht aanvoert tegen de rechtsopvatting van het hof, hoeven in verband daarmee geen bespreking.
Onderdeel 1 van de middelen van curatoren faalt daarom in zijn geheel.
Onderdeel 2 richt zich tegen r.o. 16 van het arrest (in beide zaken). Het betwist het oordeel van het hof dat geldleningen die intussen zijn afgelost, niet hebben kunnen leiden tot insolventie van de Bank. Subonderdeel 2
avoert aan dat die aflossing vaak plaats vond door een nieuwe lening, soms nog slechter gedekt dan de eerdere, zodat het schadelijk effect onverkort aanwezig bleef. Het hof houdt rekening met deze vervanging van leningen; het meent echter (eveneens in r.o. 16) dat curatoren onvoldoende feiten en omstandigheden hebben gesteld waaruit zou blijken dat de schade ontstaan door deze onzorgvuldigheid zou moeten worden toegerekend aan de notaris. Hiermee moet het hof bedoeld hebben dat onvoldoende gesteld is om aannemelijk te maken dat de notaris kon weten hoe de vork precies in de steel zat wat deze zg. draaien schuiftransacties betreft. Daarnaast lijkt mij evenwel dat ook volgens curatoren zelf het niet de afgeloste maar de vervangende leningen zijn die tot de insolventie hebben kunnen bijdragen. Subonderdeel 2
btracht deze laatste valkuil te ontlopen door erop te wijzen dat, volgens curatoren, de notarissen op grond van hun ervaringen met leningen van de Bank in het algemeen op problemen bedacht hadden behoren te zijn. Daarmee wordt echter een ruimere maatstaf aangelegd voor de omvang van de zorgplicht van notarissen dan het hof met zijn solvabiliteitstoets heeft gedaan.
bopvat als betwisting van een causaliteitsoordeel faalt het. De schade is ontstaan doordat de verhypothekeerde goederen in geval van niet-aflossing van de leningen onvoldoende verhaal bleken te bieden. Subonderdeel 2c, dat zich geheel op de causaliteitsvraag richt, faalt op dezelfde grond.
De notarissen hebben nog aangevoerd dat de notaris op grond van art. 6 lid 1 Not Pro.w. zijn dienst slechts mag weigeren voor individuele transacties, niet in het algemeen voor alle transacties waar een bepaalde client bij betrokken is. Het lijkt mij niet noodzakelijk die stelling te onderzoeken. Zij is in deze vorm in de literatuur niet verdedigd, al schijnt er meestal impliciet van te worden uitgegaan dat de weigering betrekking heeft op een concrete transactie, niet op een bepaalde categorie transacties. Zie W.H. Vermaas WPNR 4654; G.Chr. Kok, Het Nederlandse notariaat (Deventer 1971) p. 66; Melis, De notariswet (6e dr. 1991) no. 11.2.
Ook onderdeel 3 van de middelen van curatoren kan daarom niet tot cassatie leiden. Op een klacht uit subonderdeel 3a van het incidentele middel die de specifieke situatie in de zaak-[verweerder 2] betreft, kom ik terug bij de bespreking van de klachten die van de kant van de notaris tegen de oordelen van het hof op dit stuk worden aangevoerd.
a) betreffende aansprakelijkheid van de notaris voor zijn medewerking aan de zg. TU-leningen.
De feiten waar het hof van uit gaat zijn de volgende (r.o. 21 arrest-[verweerder 2]). Technische Unie beschikte over een pand dat op 26 sept. 1980 bij akte van juridische eigendomsoverdracht, verleden voor notaris Wierda te Leeuwarden, werd overgedragen aan Koskon B.V. tegen een koopprijs van
f950.000,—. Vervolgens werd het pand bij akte, verleden voor dezelfde notaris, in economische eigendoms overgedragen aan Kodam B.V. voor een prijs van
f3.200.000,—. Dezelfde dag droeg Kodam B.V. het pand bij akte van economische eigendomsoverdracht, verleden voor de plaatsvervanger van [verweerder 2], over aan A. Jansen en Bouwinitiatief Drachten B.V. gezamenlijk, voor een bedrag van
f5.300.000,—. Deze aankoop werd gefinancierd met twee geldleningen van de Bank tot een totaal netto bedrag van
f4.828.680,—. De plaatsvervanger passeerde tevens de akte waarbij ten behoeve van de Bank hypotheek op het pand werd verleend ter verzekering van deze beide geldleningen.
De stelling dat de Bank welbewust een saneringsbeleid voerde - door zwakke debiteuren te vervangen door sterkere (subonderd. 3.2) kan geen rechtvaardiging vormen voor het door het hof gewraakte gedrag. En dat de notaris, anders dan de deskundige partijen, slechts met één bepaalde transactie wordt geconfronteerd, zoals i.c. met betrekking tot het TU-pand, (subonderd. 3.4) is in de ogen van het hof kennelijk niet relevant gegeven de exorbitante prijsverschillen. Ik merk overigens nog op dat uit het zeer uitvoerige onderzoeksrapport van de curatoren, een vierdelig boekwerk dat zich bij de stukken bevindt, juist naar voren komt dat enkele notarissen zoals [verweerder 2] en [verweerder 1] in verschillende transacties waren gemengd; zie o.a. dl. I no. 2.1.10, waar curatoren o.a. vermelden dat op één dag, die zij "de grote draaien schuifdag" noemen, nl. 26 juni 1980, zestien akten van lening met hypotheekstelling bij de notarissen [verweerder 1] en [verweerder 2] zijn gepasseerd.
Subonderdeel 3.3, dat de informatie betreft waarover de notaris en diens plaatsvervanger beschikten, behandel ik samen met de subonderdelen 6.3 en 6.4.
Allereerst wordt de vraag opgeworpen of overfinanciering wel gevaar voor insolventie opleverde (4-2-
a). Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat het TU-geval zo extreem was dat dit effect zich voordeed. Het kon dit ook doen, nu het om een transactie ging die in luttele uren miljoenen meer bleek te omvatten. Vervolgens wordt betoogd dat de toezichthouders (raad van commissarissen etc.) klaarblijkelijk geen insolventierisico aanwezig achtten, ook niet na negatieve publiciteit rondom de TU-transactie (4-2-
b) en dat niet is in te zien waarom
zijzich tevreden mochten laten stellen met verklaringen van de directie terwijl de notarissen dat niet zouden mogen (4-3-
a). Deze stellingen kunnen niet tot cassatie leiden, nu feitelijk niet vaststaat welke wetenschap bij de toezichthouders aanwezig was, en evenmin of de plaatsvervanger daarvan op de hoogte was. Daarna wordt de vraag opgeworpen of de notaris had moeten toetsen of de Bank wel volgens haar eigen interne regels bevoegd was de litigieuze leningen aan te gaan (4-3-
b). Nu de aansprakelijkheid van [verweerder 2] door het hof niet op deze grond is gebaseerd (de grond was wel door curatoren aangevoerd), mist [verweerder 2] belang bij deze klacht. Tenslotte wordt aangevoerd dat de notariële bemoeienis zich slechts uitstrekte tot de hypotheekverlening en dat deze strekte tot bevestiging van een reeds, zonder notariele bijstand, afgesloten geldlening (4-3-
cen 6-2-
a). Het hof heeft kennelijk, en terecht, geoordeeld dat het van algemene bekendheid is dat van hypotheekbanken slechts leningen plegen te worden verkregen tegen hypothecaire zekerheid.
Subonderdeel
anoemt de vermelding van leningnr. 13.940 onbegrijpelijk. Bij deze klacht heeft [verweerder 2] geen belang, nu zijn aansprakelijkheid door het hof alleen wordt aangenomen ter zake van de leningen 13.899 en 13.900, de beide TU-leningen. Subonderdeel
bbeweert dat ook van deze beide leningen niet duidelijk gesteld is dat zij niet zijn afgelost. Uit het onderzoeksrapport van curatoren (dl. III, overzicht per lening met kerngegevens) blijkt echter dat de leningen niet waren afgelost op het moment van de faillietverklaring. Curatoren hebben zich van de aanvang af op dit onderzoeksrapport beroepen (zie inl. dagv. no. 4-5 en no. 14, alsmede het leningenoverzicht p. 7-39), en zij hebben dit rapport ook onmiddellijk in het geding gebracht bij concl. v. eis.
Onderdeel 5 faalt daarom.
Ik bespreek eerst de klachten genummerd 6.3.
b, 6.4.
cen 6.4.
e. Zij leveren samen het volgende betoog op. De door het hof benadrukte omstandigheid dat de onroerend-goedmarkt destijds sterke prijsdalingen vertoonde brengt op zichzelf nog niet mee dat elk individueel pand, met name wanneer dit bedrijfsmatig ontwikkeld zal worden, zou moeten delen in de neerwaartse prijsontwikkeling. Dat geldt in het bijzonder in het geval van het TU-perceel nu, naar het hof vaststelt (r.o. 24), de waarde van dat pand door een NVM-makelaar getaxeerd was op
f6.500.000, . Deze taxatie was ten kantore van notaris [verweerder 2] bekend, zodat een hypotheekverlening tot een bedrag van
f4.828.680,— daar geenszins tot achterdocht hoefde te leiden. In het licht hiervan was er ook geen reden waarom [verweerder 2] en diens plaatsvervanger geen vertrouwen zouden mogen stellen in de mededeling van de directie van de Bank dat alle topfinancieringen gedekt waren door een delcredere-verzekering. Gevaar voor insolventie van de Bank kon daarom, naar de toen bestaande wetenschap, niet voortvloeien uit de TU-leningen.
Als motivering is dat aan de magere kant. Indien de taxatie een betrouwbare indruk maakte, kon de notaris juist niet uit een waardestijging naar vijf miljoen opmaken dat de waarde kunstmatig opgedreven werd; het argument van het hof lijkt hier op een petitio principii. Ook wat de delcredereverzekering betreft gaat het hof wel erg kort door de bocht.
Het debat tussen partijen betrof de vraag welke wetenschap ten kantore van notaris [verweerder 2] aanwezig was (zie o.a. mem. v. gr. p. 24-25); in dat verband heeft de notaris aangevoerd dat "[verweerder 2] c.s." van [A] -directeur Bouman vernomen hadden dat alle topfinancieringen vielen onder de door de Bank afgesloten delcredere-verzekeringen (mem. v. antw. p. 11). Het hof kon daarom niet zonder nadere motivering aannemen dat deze wetenschap slechts bij de notaris zelf bestond, en niet bij diens plaatsvervanger.
Ik leid hieruit af dat de subonderdelen 6.3 en 6.4, in onderling verband gezien, terecht worden voorgesteld. Het arrest van het hof in de zaak-[verweerder 2] moet worden vernietigd voor zover het de aansprakelijkheid van de notaris voor de dienst van zijn plaatsvervanger ter zake van de TU-transactie betreft. Omdat het hof heeft nagelaten tot de noodzakelijke feitelijke waarderingen te komen zal verwijzing moeten volgen.
Ik wijs er nog op dat volgens subonderdeel 6-3-
cde plaatsvervanger juist geen kennis had kunnen nemen van de koopprijs in de laatste akte van juridische eigendomsoverdracht. Nu het hof echter constateert dat het volgens [verweerder 2] vast gebruik is om bij de voorbereiding van een economische eigendomsoverdracht steeds de laatste akte van juridische eigendomsoverdracht in te zien (r.o. 21), is deze klacht niet relevant: voor zover de plaatsvervanger de prijs niet kende had hij deze behoren te kennen.
Onderdeel 7 vindt in het voorgaande reeds zijn beantwoording.
Nu evenwel niet uit te sluiten is dat in het TU-geval bijzondere omstandigheden aanwezig waren (de hoge taxatie, de wetenschap van delcredere-verzekering) mist dit betoog overtuigingskracht.
De subonderdelen 8.1 en 4.1 hebben betrekking op de hoogte van de toegewezen kosten. De rb. had een hoger bedrag aangehouden dan uit het gebruikelijke tarief zou zijn voortgevloeid, gegeven de uitzonderlijke omvang van de juridische werkzaamheden. Het hof erkent die uitzonderlijke omvang (r.o. 27 arrest-[verweerder 2], r.o. 22 arrest-[verweerder 1]), maar oordeelt dat er niettemin geen reden is van het gebruikelijke tarief af te wijken nu er twee zaken gelijktijdig zijn behandeld die "slechts op feitelijke onderdelen" van elkaar verschillen.
Ook subonderdeel 8.2, dat tegen de door het hof uitgesproken compensatie van kosten aanvoert dat de notaris slechts voor 25 à 30% in het ongelijk was gesteld (althans: gemeten naar de aangevoerde schadebedragen) stuit af op de vrijheid die de feitenrechter in dit opzicht toekomt.
Subonderdeel 4.2 van het incidentele middel in de zaak-[verweerder 1] klaagt dat het hof een afzonderlijke kostenveroordeling heeft uitgesproken in het incidenteel appel. Curatoren hebben zich op dit punt gaaf en onvoorwaardelijk gerefereerd (schrift. toel. no. 9.3); dat hangt waarschijnlijk samen met HR 10 juni 1988 NJ 1989 no. 30, waaruit blijkt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. Curatoren hebben de beslissing van het hof niet uitgelokt. M.i. dient dit te leiden tot vernietiging van het arrest van het hof voor zover dit een kostenveroordeling uitspreekt in het incidenteel appel, zonder dat zulks consequenties heeft voor de kostenveroordeling in cassatie.
- in de zaak 15.502: in het principale beroep tot verwerping, en in het incidentele beroep tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof te Leeuwarden, doch uitsluitend voor zover het de kostenveroordeling in het incidenteel appel betreft;
- in de zaak 15.503: in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof te Leeuwarden en tot verwijzing van de zaak naar een ander hof, en in het incidentele beroep tot verwerping.