ECLI:NL:PHR:1994:25

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 maart 1994
Publicatiedatum
5 augustus 2021
Zaaknummer
383-93-V
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 RVV 1990Art. 68 lid 1 onder c RVV 1990Art. 79 RVV 1990Art. 2 lid 1 WAHV
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing bij niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht

De zaak betreft een administratieve sanctie van 150 gulden opgelegd wegens het niet stoppen voor rood licht bij een driekleurig verkeerslicht. De kantonrechter te Oud Beijerland verklaarde het beroep van de betrokkene gegrond omdat niet aannemelijk was gemaakt dat de auto daadwerkelijk niet voor het rode licht had stilgestaan, maar slechts dat de stopstreep niet was gerespecteerd.

De officier van justitie stelde in cassatie dat de kantonrechter een onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd met betrekking tot de uitleg van art. 62 in Pro verbinding met art. 68 lid 1 onder Pro c RVV 1990. Volgens de Hoge Raad houdt het voorschrift in dat een bestuurder bij rood licht voor de voor hem bestemde stopstreep moet stoppen en dat het passeren van de stopstreep terwijl het licht rood is, als door rood rijden wordt beschouwd.

De Hoge Raad oordeelde dat de feitcode R 602 slechts een samenvatting is en geen volledige telastelegging, maar dat de betrokkene wel duidelijk was op welke gedraging de sanctie betrekking had. De beslissing van de kantonrechter berustte op een verkeerde rechtsopvatting en moest daarom worden vernietigd en de zaak werd terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

De Hoge Raad benadrukte dat ook het passeren van het rode licht na het passeren van de stopstreep als door rood rijden wordt gezien, conform eerdere jurisprudentie.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beslissing van de kantonrechter wegens een verkeerde rechtsopvatting en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

Nr. 383-93-V
CJIB 2829102
Parket, 11 maart 1994
Mr. Meijers
Conclusie inzake:
[betrokkene]
Edelhoogachtbaar College,
De kantonrechter te Oud Beijerland heeft het beroep van [betrokkene] tegen de beslissing van de officier van justitie te Dordrecht gegrond verklaard. Tegen de op 3 november 1993 verzonden beschikking van de kantonrechter heeft de officier van justitie door inzending van een cassatieschriftuur beroep in cassatie ingesteld. De schriftuur is met de stukken van het geding op 1 december 1993 bij de Hoge Raad binnengekomen. Het rechtsmiddel is dus tijdig aangewend.
De administratieve sanctie (f 150,00) is opgelegd wegens ‘’niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht’’. Aanvankelijk heeft verzoeker in de procedure het verweer gevoerd dat hij wel heeft gestopt, maar dat hij onder meer als gevolg van de toestand van de weg (bemodderd) pas voorbij de stopstreep met zijn auto tot stilstand is gekomen. Bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting van het kantongerecht noemt verzoeksters gemachtigde niet de toestand van de weg ter verklaring van het te ver doorrijden, doch de omstandigheid dat de stoplichten later reageerden dan hij gewend was, maar dat hij, toen hij stilstond, desondanks de verkeerslichten niet was gepasseerd.
De beschikking van de kantonrechter houdt de volgende gedachtengang in:
- Uit de in het dossier aanwezige foto’s blijkt niet afdoende dat met de auto niet is gestopt voor het rode licht.
- Er blijkt wel uit dat de auto niet voor de stopstreep tot stilstand is gebracht.
- Nu het verwijt luidt dat niet is gestopt voor rood licht, acht de kantonrechter niet aannemelijk dat de gedraging is verricht.
De officier van justitie geeft in onderdeel 1 van zijn schriftuur te kennen dat uit de bestreden beschikking een onjuiste rechtsopvatting over het voorschrift van art. 68 lid 1 onder Pro c RVV 1990 spreekt.
In het zaakoverzicht is de gedraging, waarvoor aan verzoekster de administratieve sanctie is opgelegd, aangeduid met feitcode R 602, waarvan de bijlage, bedoeld in art. 2 lid 1 WAHV Pro, de volgende omschrijving geeft: als weggebruiker niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht. Uit de bijlage blijkt, voor zover hier van belang, dat de omschrijving van feitcode R 602 correspondeert met het voorschrift van art. 62 in Pro verbinding met art. 68 lid 1 onder Pro c RVV 1990.
De vraag is derhalve of de kantonrechter een juiste uitleg heeft gegeven aan het genoemde, krachtens de Wegenverkeerswet gestelde, voorschrift van het RVV 1990. Met de officier van justitie meen ik dat dit niet het geval is. De uitleg van de omschrijving van feitcode R 602 wordt bepaald door de uitleg van het met de code corresponderende voorschrift van het RVV 1990. Welnu, het voorschrift van art. 62 in Pro verbinding met art. 68 lid 1 onder Pro c RVV 1990 houdt, gelet op het bepaalde in art. 79 RVV Pro 1990, in dat een bestuurder bij rood licht voor de voor hem bestemde stopstreep moet stoppen. Wie de stopstreep passeert, terwijl het licht op rood staat, rijdt ‘’door rood licht’’ [1] .
In verband hiermee merk ik, in aansluiting bij wat de officier van justitie in onderdeel 2 van zijn schriftuur stelt, het volgende op. De feitcode R 602 geeft een beknopte samenvatting van het hierboven genoemde verkeersvoorschrift. De samenvatting is geen telastelegging (waarin de stopstreep als regel verschijnt); zij mag ook niet als zodanig worden beoordeeld. Voldoende is dat aan de betrokkene duidelijk is op welke gedraging de sanctie betrekking heeft. Vgl. kamerstuk 20 329, nr. 3 (m.v.t.), p. 40; HR 11 januari 1994, nr. 156-93-V. Dat was hier het geval.
De conclusie luidt dat de bestreden beslissing van de kantonrechter, doordat zij op een verkeerde rechtsopvatting berust, moet worden vernietigd en dat terugwijzing moet volgen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Voetnoten

1.Daaraan doet niet af dat ook de bestuurder van een auto die de stopstreep passeert, terwijl het licht nog niet op rood staat, door rood licht rijdt, als hij vervolgens het op rood gesprongen verkeerslicht passeert (HR NJ 1983, 312; VR 1983, 23).