ECLI:NL:PHR:1994:AB7528

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 februari 1994
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
95710
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 289 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor betrokkenheid bij cocaïnesmokkel en bevrijding uit Huis van Bewaring

Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 4 januari 1993 het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam vernietigd en de verdachte veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf wegens diverse misdrijven, waaronder betrokkenheid bij een cocaïnelijn tussen Colombia en Nederland en de bevrijding van twee personen uit het Huis van Bewaring te Arnhem.

De verdachte stelde beroep in cassatie in, waarbij vier middelen werden voorgesteld. Het eerste middel betrof de beslissing van het hof om geen bevel tot gijzeling van een getuige te geven, welke door de Hoge Raad als toereikend gemotiveerd werd beoordeeld. Het tweede middel klaagde over het ontbreken van bewijs voor het binnenbrengen van circa 20 kilogram cocaïne in Nederland, wat door de Hoge Raad als een schrijffout werd aangemerkt en ambtshalve gecorrigeerd.

Het derde middel betrof de bruikbaarheid van verklaringen van weigerachtige getuigen, waarbij de Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie en het oordeel van het hof bevestigde. Het vierde middel betrof de kwalificatie van het feit van bevrijding uit het Huis van Bewaring als meermalen gepleegd, hetgeen door de Hoge Raad ambtshalve werd hersteld.

De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest slechts voor wat betreft de benaming van het onder 6 bewezene en verwierp het beroep voor het overige, waarmee de veroordeling van tien jaar gevangenisstraf in stand bleef.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling tot tien jaar gevangenisstraf met ambtshalve herstel van de kwalificatie van het bevrijdingsfeit.

Conclusie

Nr. 95.710
Zitting 26 oktober 1993
Mr Van Dorst
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 4 januari 1993 vernietigd het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 28 januari 1993 en de verzoeker tot cassatie -voor zover thans nog van belang- terzake van diverse misdrijven veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar, met aftrek.
2. Van de zijde van verzoeker is tegen deze veroordeling beroep in cassatie ingesteld. Namens verzoeker heeft mr G. Spong, advocaat te 's-Gravenhage, vier middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt over schending van art. 289 Sv Pro. Deze klacht hangt samen met de gang van zaken ter terechtzitting van het hof van 28 september 1992. De relevante passages van het proces-verbaal der terechtzitting zijn in de toelichting op het middel weergegeven, met dien verstande dat de raadsman niet heeft medegedeeld dat de gijzeling van [betrokkene 1] wellicht zinloos is etc., maar -tegenovergesteld- dat gijzeling [betrokkene 1] wellicht tot andere gedachten zou kunnen brengen. Niet onbelangrijk is voorts dat het hof blijkens het procesverbaal (blz. 7) met toestemming van de procureur-generaal, de verdachte en de raadsman heeft afgezien van het verhoor van beide weigerachtige getuigen.
4. Nu verzoeker en zijn raadsman zelf hebben afgezien van het verhoor van deze getuigen, mist het betoog over het al dan niet aanleggen van de juiste maatstaf bij de beslissing om hen niet te gijzelen, elke relevantie. Ik voeg hieraan nog toe dat de formulering die het hof bezigt om de zinloosheid van de gijzeling te motiveren, ontleend lijkt de te zijn aan HR NJ 1982, 138 (middel 5), een arrest dat mr Spong niet onbekend is. In die zaak ging het echter om een weigerachtige getuige van wiens verhoor niet was afgezien, waarmee Uw Raad akkoord ging na een motiveringsplooitje te hebben rechtgestreken.
Ik vermag dan ook niet in te zien waarom het hof in casu -nu uitdrukkelijk was afgezien van het verhoor- een ander toetsingscriterium had moeten aanleggen dan toen. Bovendien kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat in het middel een woordenspel wordt bedreven. Natuurlijk moet de rechter bij een weigerachtige getuige eerst nagaan of diens bijdrage aan het onderzoek dringend noodzakelijk is, en beslist hij pas in het bevestigende geval over een eventuele gijzeling. Uit het feit dat het hof zich beraden heeft over de gijzeling, kan worden afgeleid dat het hof de eerste vraag positief heeft beantwoord. De stelling dat het hof een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd, lijkt mij dan ook niet juist. Zie ook HR NJ 1992, 481.
5. Het tweede middel klaagt erover dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verzoeker heeft getracht (een) ander(en) te bewegen 20 kilogram of daaromtrent van stoffen bevattende cocaïne binnen Nederland te doen brengen, zoals sub 6 -bedoeld zal zijn: sub 7 subsidiair, zie arrest blz. 5- is bewezenverklaard. De steller van het middel heeft gelijk: alle bewezenverklaarde onderdelen van het onder 7 subsidiair telastegelegde (kort gezegd het opzetten van een cocaïnelijn tussen Colombia en Nederland) zijn terug te vinden in de bewijsmiddelen, behalve voor wat betreft het onderdeel dat aldus 20 kilo cocaïne binnen het grondgebied van Nederland zou worden gebracht. Gelet op de bewijsmiddelen houd ik dit voor een schrijffout die bovendien een ondergeschikt punt van de telastelegging betreft. Ik stel U voor deze schrijffout te herstellen door "en/of 20 kilogram of daaromtrent” in de bewezenverklaring te schrappen.
6. Het derde middel laakt de beslissing van het hof om -ondanks het desbetreffend verweer- de in een eerder stadium afgelegde verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] tot het bewijs te doen meewerken. De motivering van 's hofs beslissing is -op de "t” in "volhardt" na- correct in de toelichting op het middel weergegeven.»
7. Over dit middel kan ik kort zijn, aangezien Uw Raad nog onlangs in HR NJ 1992, 481 uitvoerige beschouwingen heeft gewijd aan de bruikbaarheid voor het bewijs van tegenover de politie afgelegde verklaringen van iemand die vervolgens ter terechtzitting weigert te verklaren. Ik voeg daaraan toe dat - anders dan in evenvermelde zaak- hier het hof zelf de weigerachtigheid heeft geconstateerd.
8. Het vierde middel tenslotte valt de kwalificatie van het onder 6 bewezene aan. Aangezien bij de actie twee personen uit het Huis van Bewaring te Arnhem zijn bevrijd, had dit feit als "meermalen gepleegd" aangemerkt moeten worden.
9. Ik ben geneigd de raadsman hierin gelijk te geven, aangezien het gaat om een dubbele inbreuk op de -overigens met de Jesajaanse zending strijdige- norm dat men zijn gevangen medemens geen verlossing behoort te melden. Na mij afgevraagd te hebben of verzoeker een rechtens relevant belang heeft bij deze klacht (vgl. HR NJ 1988, 562), geef ik er toch de voorkeur aan Uw Raad te adviseren dit verzuim eigenhandig te herstellen.
10. Gronden waarop Uw Raad gebruik zou behoren te maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve in meer opzichten te vernietigen dan hiervoor onder 9 is aangegeven, heb ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest ten aanzien van de benaming die aan het onder 6 bewezene is gegeven en tot herstel daarvan in voege als sub 9 is vermeld, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,