Conclusie
eerstemiddel strekt ten betoge dat ten onrechte bewezen is verklaard dat de onder A.1 (het opzettelijk aanwezig hebben van meer dan 30 gram hennep op 28 juni 1989) en onder B (het opzettelijk aanwezig hebben van meer dan 30 gram hennep op 23 augustus 1989) telastegelegde feiten zijn gepleegd in Amsterdam, aangezien deze feiten zijn begaan op of bij de woonboot van verzoeker die lag afgemeerd aan de Haarlemmermeerse zijde van de plaatselijke ringvaart. In het bijzonder bestrijdt het middel de juistheid van het oordeel van de rechtbank dat het van algemene bekendheid is dat de gemeentegrens ‘’zodanig loopt dat de Ringvaart is gelegen in de gemeente Haarlemmermeer en de oevers met inbegrip van de Oude Haagseweg in de gemeente Amsterdam’’.
tweedemiddel stelt dat voor wat betreft de feiten A.1, A.2 en B (het telkens opzettelijk aanwezig hebben van meer dan 30 gram hennep) niet vastgesteld kan worden dat het telkens meer dan 30 gram aan werkzame stof, waarmee kennelijk wordt gedoeld op het THC-gehalte, betrof, nu slechts planten, bloeiende toppen en bloemtoppen zijn aangetroffen. In dit verband wordt verwezen naar een arrest van het Hof Den Bosch (NJ 1986, 653) waarin is beslist dat ‘’als wezenlijk bestanddeel van het ten laste gelegde moet worden bewezen, dat het als verdovend middel te gebruiken gedeelte van de hier bedoelde hennepplanten te zamen een gewicht had van meer dan 30 gram’’.
bladerenvan de hennepplant toe te laten. Ik teken hierbij aan dat de regering desbewust geen afstand heeft willen nemen van deze interpretatie en dat zij daarmee doelbewust een door haar zogenoemde ‘’sluipweg’’ prijs gaf om te komen tot een destijds vurig gewenste (partiële) legalisatie van hennepprodukten; zie memorie van antwoord, blz. 12 alsmede de nota naar aanleiding van het eindverslag (nr. 9) blz. 1.
plantenniet willen weten, behoudens voor zover het gaat om hennep welke kennelijk bestemd is voor de winning van zaad of vezel of welke uitsluitend als windkering in de land- en tuinbouw wordt gebruikt (memorie van antwoord, blz. 12, jo. het Besluit van 18 oktober 1976 Stb. 509). Niet van belang is derhalve of de plant reeds de werkzame (roesverwekkende) stof THC (Tetrahydrocannabinol) had gevormd en nog minder of deze stof uit meer dan 30 gram bestond.
derdemiddel komt hierop neer dat de rechtbank en het hof de telastelegging sub A.1, A.2 en B slechts bewezen hadden mogen verklaren nadat zij hadden vastgesteld dat het ging om de teelt van hennep met het oog op de produktie van geestverruimende stoffen en niet om de kweek van planten voor zaadwinning, vezelproduktie of gebruik als afscheiding als bedoeld in voormeld Besluit.
vrouwelijke(dus tweehuizige) planten, hetgeen niet te rijmen is met verzoekers stelling dat hij zich toelegt op de teelt van eenhuizige cultivars. Ik wijs er nog op dat uitgerekend de onbevruchte vrouwelijke plant de meeste THC produceert (vgl. Haentjens en Uges, De Opiumwet, blz. 84 en het aangehaalde artikel ui 1956, blz. 33). Dit geeft extra reliëf aan de verwerping van het hiervoren onder 15 besproken verweer.