Conclusie
zt. 2 juni 1995
2. de besloten vennootschap PARFUMS CHRISTIAN DIOR B.V.
(iv) Dior Frankrijk is in de Benelux exclusief rechthebbende op de beeldmerken EAU SAUVAGE, POISON, FAHRENHEIT en DUNE, onder meer voor waren in klasse 3.
Onderdeel 1van het middel keert zich tegen r.o. 4.5 en r.o. 4.11 van het bestreden arrest. In deze rechtsoverwegingen, die deel uitmaken van een algemene inleidende beschouwing over de strekking van de vorderingen van Dior en de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep, stelt het Hof vast wat Dior met haar vorderingen in feite beoogt: een algeheel verbod op het voeren van reclame voor Dior-producten door middel van het afbeelden van de verpakkingen en flesjes door een onderneming als Kruidvat (r.o. 4.5), en: bescherming van haar selectieve distributiesysteem tegen parallelimport door middel van een, thans beperkt, verbod op reclame van Dior-producten door Kruidvat (r.o. 4.11).
Onderdeel 2bestrijdt met een aantal rechts- en motiveringsklachten de overwegingen van het Hof (r.o. 4.12.1 e.v.) met betrekking tot de merkenrechtelijke grondslag van de vorderingen van Dior.
Onderdeel 3van het middel keert zich tegen het oordeel van het Hof, in r.o. 4.12.7, dat de woorden "mits de toestand van de waren niet is gewijzigd" in art. 13 A lid 3 BMW en de woorden "wanneer de toestand van de waren ... gewijzigd of verslechterd is" in art. 7 van Pro bovengenoemde Richtlijn uitsluitend zien op enige verandering van de fysieke toestand van het betrokken merkartikel. Het onderdeel verdedigt de opvatting dat bedoelde woorden ook de "psychische" toestand van de waar omvatten, waarmee bedoeld wordt "de allure, het prestigieuze imago en de luxe uitstraling als gevolg van de door de merkhouder onder gebruikmaking van zijn merkrechten gekozen wijze van presentatie en reclamemaken" (het zgn. "associatieve netwerk" van merken).
Onderdeel 4van het middel richt zich met een rechtsklacht (onder 7.2) en een motiveringsklacht (onder 7.3) tegen het oordeel van het Hof met betrekking tot de auteursrechtelijke grondslag welke Dior aan haar vordering heeft meegegeven.
conclusieluidt dat de Hoge Raad, alvorens verder te beslissen, het Benelux-Gerechtshof zal verzoeken over de hierboven onder 18. bedoelde vragen van uitlegging van art. 13 A BMW uitspraak te doen en het geding zal schorsen totdat het Benelux-Gerechtshof naar aanleiding van dat verzoek uitspraak zal hebben gedaan.