Conclusie
In cassatie gaat het nog slechts om het volgende:
1. Kan de bespreking die tussen de vennootschap en IFN plaats vond voordat de vennootschap tot bedoelde betaling aan IFN overging, worden aangemerkt als overleg dat ten doel had IFN boven andere schuldeisers te bevoordelen?
2. Is in casu door de betaling aan IFN slechts een voordeel aan de schuldeisers ontgaan zonder dat aan hen enig nadeel is toegebracht zodat het beroep van de curator op art. 47 F. in strijd is met de strekking van deze bepaling?
Voordat ik nader op deze vragen inga, geef ik een kort overzicht van de feiten en het verloop van het geding. Verder teken ik nog aan dat in deze zaak van toepassing is de – op 1 januari 1992 in werking getreden – gewijzigde versie van het oude art. 47 F.; deze wijziging betrof slechts een terminologische aanpassing aan het nieuwe BW.
In zijn schriftelijke toelichting stelt de curator voorts dat in casu is voldaan aan het door art. 47 F. vereiste “overleg”. Naar zijn oordeel vereist dit overleg geen begunstigingsbedoeling bij de schuldenaar doch slechts “contact” tussen schuldeiser en schuldenaar waarbij de laatste zich bereid verklaart of bereid wordt gevonden om “nog even” voor het faillissement de schuld te voldoen. De curator verzoekt Uw Raad om tevens uitspraak te doen over de vraag of in casu sprake is van samenspanning en om zo mogelijk de zaak – na vernietiging van het bestreden arrest – zelf af te doen.
(Zie Van der Feltz, Geschiedenis van de Wet op het Faillissement en de Surséance van Betaling, Eerste deel, 1896, p. 449 en p. 436.)
Zoals gezegd, gaat het hier om de tweede uitzondering. In de memorie van toelichting (Van der Feltz, p. 449) wordt daaromtrent het volgende opgemerkt:
“
Zij laat al die gevallen onaangetast, waarin eene schuld op regelmatige wijze wordt geïnd, waarin de betaling verkregen wordt door daarop aan te dringen, vonnis te vragen, beslag te leggen of te executeren. De bedoeling is veeleer uitsluitend de betalingen te treffen, welke hetzij op een afspraak berusten om, wanneer het tot een faillissement mocht komen, den schuldeischer buiten den concursus te houden, hetzij – en dat dikwijls op initiatief van den schuldenaar – gedaan worden in den vooravond van het faillissement,.”
enkel in dat vermogen was geraakt doordat de Bank had bewerkstelligddat door storting van dat bedrag – door haar (zonder daarmee een bevoordeling van de schuldenaar te beogen) met het oog op die storting eerder ter beschikking van die derde gesteld – in het vermogen van de schuldenaar een onverhaalbare en dus waardeloze vordering op die derde werd vervangen door een aanspraak ten belope van dat bedrag op de Bank. Zou de curator de Bank met een beroep op art. 47 F. kunnen nopen het bedrag waarmee de rekening van de schuldenaar was gecrediteerd “terug te geven”, dan zou hij dusdoende in het – de schuldeisers tot verhaal dienende – vermogen van de failliet niet een bate terugbrengen die daaruit in het zicht van het naderend faillissement was verdwenen, maar aan dat vermogen een bate toevoegen die daarin niet thuis hoort. Aldus Uw Raad. (HR 22 maart 1991 (mr Loeffen q.q./Mees & Hope II, NJ 1992, 214, m.n. PvS, AA 1992, p. 290, m.n. Kortmann.)
Aan IFN moet worden toegegeven dat het door de vennootschap van IBM geïnde bedrag van f 700.000,- niet aan de vennootschap doch aan IFN toekwa. (In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de desbetreffende vordering op IBM rechtsgeldig was verpand en dat IFN – met uitsluiting van de vennootschap – inningsbevoegd was.) Het bedrag van f 700.000,- is dan ook een bedrag dat in zoverre niet in het vermogen van de vennootschap thuishoorde doch in dat van IFN, die terzake van die onregelmatig inning dan ook een vordering op de vennootschap verkreeg. Het is echter de vraag of dit impliceert dat de betaling aan IFN in het licht van art. 47 F. ook beschouwd moet worden als een betaling waardoor de overige schuldeisers geen nadeel wordt toegebracht doch slechts een voordeel ontgaat.
Het komt mij voor dat (in het licht van eerder vermeld arrest) van en zodanige betaling eerst moet worden gesproken ingeval die betaling wordt verricht uit een bedrag dat door toedoen van degene aan wie wordt betaald en ook met het oog op die betaling in het vermogen van de schuldenaar is geraakt; de curator spreekt in dit verband van een betaling die een onderdeel uitmaakt van één complex met elkaar samenhangende handelingen tussen in beginsel slechts de schuldenaar en de betrokken schuldeiser. In andere gevallen dient de betaling van een concurrente vordering – ongeacht waaruit deze voortspruit – naar mijn oordeel beschouwd te worden als een handeling waardoor de overige schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld. Wordt in die gevallen betaald aan een schuldeiser die ervan op de hoogte is dat het faillissement van zijn schuldenaar reeds is aangevraagd of heeft overleg als bedoeld in art. 47 F. plaatsgevonden, dan kan de curator met een beroep op deze bepaling de nietigheid van die betaling inroepen. Naar mijn oordeel handelt ook een schuldeiser van een vordering die haar oorzaak vindt in een wanprestatie of onrechtmatig handelen van de schuldenaar onder omstandigheden als in de vorige zin bedoeld, in strijd met de tegen de overige schuldeisers in acht te nemen “goede trouw”. Zou het de schuldeisers in de hier bedoelde gevallen vrij staan zijn vordering te innen, dan zou aan art. 47 F. naar mijn oordeel een te beperkte strekking worden toegekend, mede in aanmerking genomen dat het – in art. 3:276 BW Pro neergelegde – beginsel dat de schuldenaar met zijn gehele vermogen aansprakelijk is voor zijn schulden niet een uitzodering kent voor vermogen dat de schuldenaar op niet-regelmatige wijze heeft verkregen.
In dit regeringsantwoord wordt met betrekking tot het door art. 47 F. vereiste overleg het volgende opgemerkt:
“
Hier wordt eigenlijk hetzelfde gevorderd wat de jurisprudentie, waar het geldt eene Pauliana, gericht tegen betaling van een opeischbare schuld, voor het slagen in die actie verlangt. Verg. de Memorie van Toelichting bl. 42, noot 3”.
Zie Van der Feltz, p. 451, waar wordt aangetekend dat het hier gaat om de op p. 440 van dat werk geciteerde noot.
In de hier bedoelde noot wordt gerefereerd aan jurisprudentie waarin van de schuldenaar niet alleen wetenschap van benadeling doch de “bedoeling om op bedriegelijke wijze te benadeelen” wordt vereist. Vermelding verdient in dit verband dat in de bij die noot behorende passages in de memorie van toelichting wordt uiteengezet dat voor wetenschap van benadeling niet meer is vereist dan het “bewustzijn der benadeeling” terwijl het oogmerk om te benadelen alleen dan aanwezig is ingeval de benadeling “het einddoel” der handeling is.
In de literatuur wordt gesproken over het vereiste van “een bedrieglijke opzet”; zie M. Polak/N.J. Polak, Faillissement en surséance van betaling, 1972, p. 161 en N.J. Polak/C.E. Polak, Faillissementsrecht, 1992, p. 87; in de losbladige editie Faillissementswet, Van Zeben (Van Galen en De Liagre Böhl), art. 47, aant. 3, wordt gesproken van “gezamenlijke bedrieglijke opzet”. Expliciet bevestigend wordt de onderhavige vraag beantwoord door Pinckaers, “Art. 47 Fw Pro. en (voorwaardelijk) opzet van schuldeiser en schuldenaar”, TVVS 1989, p. 270 e.v., i.h.b. onder 4, door Van Everdingen, in: Zekerheden en uitwinning, 1990, p. 56, door De Liagre Böhl, “Sanering en faillissement naar huidig en nieuw recht”, 1991, p. 230-232, en door Rank-Berenschot, t.a.p. i.h.b. onder 5. De twee laatstgenoemde auteurs beschouwen het “overleg”-criterium van art. 47 F. overigens als in de praktijk onhanteerbaar. Ophof, “De Actio Pauliana: Terug van weggeweest of ook ‘wegwezen'?”, rede EUR 1992, p. (4 en) 30 spreekt van “het medeplegen van oneerlijke begunstiging”. Van Buchem-Spapens, Faillissement en surséance van betaling, 1990, p. 58 en Huizink, Insolventie, 1993, p. 83, spreken van samenspanning tussen de schuldenaar en de schuldeiser. Van der Grinten beantwoordt de onderhavige vraag echter expliciet ontkennend in zijn noot onder Uw arrest van 16 januari 1987, NJ 1987, 528.