ECLI:NL:PHR:1995:30
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling instemming werknemer met beëindiging arbeidsovereenkomst na werkweigering en vakantieperiode
In deze zaak staat centraal of de arbeidsovereenkomst tussen eiser en verweerder op 20 juli 1990 is beëindigd en of eiser daarmee heeft ingestemd. Eiser was sinds april 1990 in dienst en vroeg om vakantie van 23 juli tot 10 augustus 1990, zonder recht op loonbetaling wegens onvoldoende opgebouwde vakantiedagen. Eiser verscheen niet op het werk en ontving een RWW-uitkering, later een ZW-uitkering na een ongeval. Na herstel meldde hij zich weer, maar werd niet toegelaten omdat de werkgever stelde dat de arbeidsovereenkomst al was geëindigd.
De rechtbank oordeelde dat eiser zich schuldig had gemaakt aan werkweigering en dat de mededeling van de echtgenote van verweerder op 20 juli 1990 een ontslag betekende waar eiser mee instemde. Dit oordeel werd bevestigd in hoger beroep. In cassatie betoogt eiser dat de mededeling en het stilzwijgen niet als instemming mogen worden uitgelegd, mede gezien de vakantieafspraken en ziekteperiode.
De Hoge Raad oordeelt dat de jurisprudentie vereist dat instemming met ontslag duidelijk en ondubbelzinnig moet zijn, en dat niet-verschijnen en niet-protesteren dit niet zonder meer inhouden, zeker niet in de gegeven omstandigheden. De rechtbank is op dit punt van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan of heeft onvoldoende gemotiveerd. De zaak wordt vernietigd en verwezen voor nadere vaststelling van het aantal niet-genoten vakantiedagen en beoordeling van de wettelijke verhoging.
Uitkomst: Het arrest vernietigt het vonnis en verwijst de zaak terug voor nadere vaststelling en beoordeling.