ECLI:NL:PHR:1995:AA1592
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over achterwaartse verliesverrekening in inkomstenbelasting
De zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het gerechtshof te 's-Gravenhage over de toepassing van artikel 31 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en de achterwaartse verliesverrekening in de inkomstenbelastingjaren 1977 tot en met 1979.
De inspecteur had besloten de rente over leningen tot een bedrag van ƒ 1.000.000 niet in aftrek te laten komen, wat door het hof deels werd bevestigd maar ook verminderd. De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en stelt dat de inspecteur alsnog een beschikking moet nemen over de verrekening van het verlies van 1979 met het inkomen van 1978, ook al is over 1978 geen definitieve aanslag opgelegd vanwege termijnoverschrijding.
De Hoge Raad benadrukt dat de formele belastingheffing over 1978 niet in de weg staat aan materiële verliesverrekening en dat de inspecteur een beschikking moet geven die de materieelrechtelijke situatie weerspiegelt. Tevens wijst de Hoge Raad een beroep op het vertrouwensbeginsel af omdat het voor de belanghebbende duidelijk had moeten zijn dat het inkomen over 1978 positief was.
De uitspraak verduidelijkt de verhouding tussen formele aanslagtermijnen en materiële verliesverrekening, en bevestigt dat verliesverrekening ook kan plaatsvinden met een jaar waarover geen aanslag is opgelegd, mits de inspecteur een beschikking neemt. De Staatssecretaris wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en beveelt de inspecteur alsnog een beschikking te nemen over verliesverrekening van 1979 met het inkomen van 1978.