Conclusie
Derde Kamer A
Vennootschapsbelasting 1988
Parket, 12 januari 1995
Korte beschrijving van de zaak
De rechtsstrijd
De fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting.
Vervreemding van een moeder-dochter-vordering.
Conclusie.
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie van [X] B.V. tegen de staatssecretaris van Financiën over de fiscale behandeling van een verlies op een vordering van de moedermaatschappij op haar dochtermaatschappij binnen een fiscale eenheid. De moeder had een vordering van circa ƒ 403.191,- op de dochter, waarvan de waarde in werkelijkheid vrijwel nihil was. Deze vordering werd in 1988 verkocht aan een derde voor een fractie van de nominale waarde.
De inspecteur stelde het aanloopverlies over 1988 vast zonder rekening te houden met het verlies op deze vordering. Het gerechtshof bevestigde deze beslissing. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het verlies op de vordering in het aanloopverlies mag worden betrokken.
De Hoge Raad bevestigt dat binnen een fiscale eenheid de onderlinge vorderingen en schulden niet in de fiscale winst worden opgenomen. De verkoop van een vordering aan een derde leidt tot een vermogenssprong die tot de fiscale winst behoort. Echter, omdat de vordering binnen de fiscale eenheid geen boekwaarde heeft, ontstaat het vermogensbestanddeel pas bij de verkoop aan de derde. De waardedaling van de vordering kan daarom niet ten laste van de winst worden gebracht.
De Hoge Raad wijst op eerdere jurisprudentie en literatuur die deze fiscale behandeling ondersteunen. Het beroep van de belanghebbende wordt verworpen en het middel ongegrond bevonden.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en het verlies op de vordering kan niet ten laste van de winst worden gebracht.