ECLI:NL:PHR:1995:AA3055
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepasselijkheid Verordening (EEG) nr. 1408/71 op premieheffing volksverzekeringen zelfstandige arts
De zaak betreft een Duitse arts die in 1985 in Nederland woonde en in Duitsland als zelfstandige werkte. De inspecteur legde hem premieheffing volksverzekeringen op, welke de arts betwistte met een beroep op de Verordening (EEG) nr. 1408/71. Het Hof wees het beroep af omdat de arts in dat jaar niet als werknemer in de zin van de Verordening werd beschouwd en het Duitse Versorgungseinrichtung-stelsel niet als wetgeving in de zin van de Verordening gold.
Het Hof paste vervolgens het bilaterale verdrag sociale verzekering tussen Nederland en Duitsland toe en oordeelde dat de arts geen verzekerde was voor AOW, AWW, AAW en AKW, waardoor hij daarvoor geen premie verschuldigd was. De premieheffing werd verminderd tot de premie voor de AWBZ.
De Hoge Raad analyseerde de personele werkingssfeer van de Verordening en concludeerde dat de arts als zelfstandige binnen de Verordening viel, ook al waren zijn werkzaamheden in Nederland van ondergeschikte betekenis. Er werd benadrukt dat de Verordening voorrang heeft op bilaterale verdragen, tenzij dit leidt tot verlies van sociale zekerheidsvoordelen. De zaak bevatte complexe vragen over de toepassing van de Verordening bij werkzaamheden in meerdere lidstaten en de criteria voor hoofdwerkzaamheden.
De Hoge Raad stelde vast dat het eerste middel van de Staatssecretaris niet kon worden beoordeeld zonder vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) te stellen, en concludeerde tot het voorleggen van prejudiciële vragen over de uitleg van de Verordening.
Uitkomst: Hoge Raad besluit prejudiciële vragen aan HvJ EG voor te leggen over de uitleg van Verordening 1408/71 betreffende premieheffing zelfstandige arts.