ECLI:NL:PHR:1995:AA3166
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over verrekening overdrachtsbelasting bij fictieve verkrijging successierecht
Belanghebbende verkreeg een woning van haar moeder onder voorbehoud van het recht van gebruik en bewoning, waarbij een deel van de koopsom werd kwijtgescholden. Over de betaalde koopsom werd overdrachtsbelasting geheven. Het geschil betrof de vraag welk bedrag aan overdrachtsbelasting in mindering mocht worden gebracht op het successierecht dat werd berekend over de fictieve verkrijging van de woning.
Het hof stelde belanghebbende in het gelijk en bracht een hogere aftrek van overdrachtsbelasting toe dan de inspecteur wilde. De Staatssecretaris stelde cassatie in, stellende dat het hof ten onrechte overdrachtsbelasting over het volledige fictieve verkrijgingsbedrag in mindering had gebracht, terwijl slechts het kwijtgescholden bedrag relevant was.
De Hoge Raad oordeelde dat de verrekening van overdrachtsbelasting beperkt moet blijven tot het bedrag dat daadwerkelijk aan overdrachtsbelasting is geheven over het kwijtgescholden deel. Het arrest van het hof werd vernietigd en de uitspraak van de inspecteur bevestigd. Hiermee wordt dubbele heffing van overdrachtsbelasting en successierecht voorkomen, conform eerdere resoluties en jurisprudentie.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de uitspraak van de inspecteur bevestigd dat slechts overdrachtsbelasting over het kwijtgescholden bedrag in mindering mag worden gebracht op het successierecht.