ECLI:NL:PHR:1996:1
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over voorwaardelijk opzet bij dodelijk verkeersongeluk met roekeloos rijgedrag
Op 3 april 1994 veroorzaakte de bestuurder van een Porsche een ernstig verkeersongeluk op een drukke provinciale weg waarbij vijf personen om het leven kwamen, waaronder vier inzittenden van de tegenliggende auto en een passagier in de Porsche. De bestuurder reed met hoge snelheid, negeerde meerdere keren rood licht, voerde gevaarlijke inhaalmanoeuvres uit en had alcohol genuttigd.
Het openbaar ministerie legde primair doodslag ten laste. Het hof verklaarde dit bewezen en veroordeelde de bestuurder tot zes jaar gevangenisstraf. De verdediging betwistte het bewijs van voorwaardelijk opzet, met name dat het rijgedrag vlak voor de aanrijding beslissend zou zijn en dat het geringe alcoholpromillage niet als bewijs kon dienen.
De Hoge Raad oordeelde dat het bewijs van voorwaardelijk opzet niet voldoende was omdat het rijgedrag niet aantoonde dat de bestuurder het eigen overlijden op de koop toe nam. De gefaseerde inwerkingtreding van de Wet Terwee werd niet in strijd geacht met internationale verdragen en het gelijkheidsbeginsel. De Hoge Raad verwierp de middelen en bevestigde het oordeel van het hof, waarbij werd onderstreept dat opzet bij verkeersdelicten kan worden aangenomen afhankelijk van de feitelijke omstandigheden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling tot zes jaar gevangenisstraf wegens doodslag in het verkeer met voorwaardelijk opzet.