Conclusie
mr Th.B. ten Kate
Parket, 20 februari 1996
Strafkamer
a, punt 8, p. 21, waarbij noot 3; Corstens op de hieronder onder 8 aangehaalde plaats, punt 6.5, p. 102; impliciet HR 28 februari 1984, NJ 1984, 490 (Th.W.v.V.); HR 18 maart 1975, NJ 1975, 247 (Th.W.v.V.), HR 15 januari 1952, NJ 1952, 346 (B.V.A.R.).
a, lid 2 van de Wet Nationale ombudsman (Wet van 4 juni 1992, Stb. 422, Sch. en J. 178, 1982 tweede gecumuleerde aanv., p. 70; t.K.), waarin is bepaald dat deze wet niet van toepassing is op gedragingen van bestuursorganen waarop de rechterlijke macht toeziet. In de wetsgeschiedenis van de Wet Nationale ombudsman is de 12 Sv.-procedure genoemd als een duidelijk voorbeeld van dergelijk toezicht."
g, dat met de Wetswijziging van 4 juni 1992 voormeld, tenslotte overgegaan is naar art. 1
alid 2 (MvT, Zitting Tweede Kamer 1990-1991-22.061, stuk nr. 3, p. 51).
"Het eerste opent de mogelijkheid, dat strafbare feiten ten onrechte niet vervolgd worden, het tweede sluit particulieren, zelfs benadeelden en belanghebbenden, van rechtstreeksche deelneming aan de vervolging uit. Het monopolie der staatsvervolging maakt het toekennen aan het publiek van indirecten invloed op het instellen en voortzetten der vervolging, van een recht tot beklag, noodzakelijk en ongetwijfeld hecht het publiek aan een beklag bij den rechter bijzondere waarde. In menig geval geeft de tusschenkomst des rechters in de practijk bevrediging. Daarbij komt, dat toch niet alleen het openbaar ministerie, doch tevens de rechter met de handhaving der strafwet is belast, in zoover de rechter bij de beslissing omtrent straf of maatregel zelfstandig heeft uit te maken, wat door het belang dier handhaving wordt vereischt. In het licht hiervan beschouwd, is de bemoeiing, den rechter bij deze afdeeling opgedragen, namelijk het geven van een bevel tot instelling of voortzetting van eene vervolging, aan zijne eigenlijke taak toch niet zoo vreemd, als de leden, die tegen deze afdeeling aanvankelijk principeele bezwaren gevoelen, schijnen te meenen."
e, p. 95 en p. 96. Men zie in deze zin de MvA bij de Wet van 8 november 1984, Stb. 1984, 551 (Zitting Tweede Kamer 1981-1982-15.831, stuk nr. 6, p. 13, voorlaatste alinea); Knigge op de onder 12 hieronder aangehaalde plaats, artt. 12-13
a, laatste alinea onder 3, p. 9 en art 12
ionder 2, p. 2-4 en onder 4, p. 6-8; Corstens, "Het Nederlands Strafprocesrecht" (1995), p. 485 en in zijn proefschrift (8 hierboven) 4.3.1, p. 23 en 4.3.2, p. 24 e.v.
a, punt 3, p. 5/6, naar voormelde wetsgeschiedenis verwijst en vervolgens onder artikel 12, punt 5, p. 10-12/13, aan Corstens tegenvoert (zie ook diens proefschrift, p. 25/26-28):
k)."
abij art. 12.
i(vóór de wijziging bij Wet van 8 november 1993, Stb. 1993, 591 nog art. 12
k), p. 18-20/21. Een vervolgingsbevel moet, indien de dagvaarding reeds is uitgereikt, wel vóór de aanvang van de terechtzitting worden gegeven, omdat de dagvaarding slechts tot dat ogenblik ingetrokken kan worden om vervolgens aangepast een nieuwe uit te brengen. Vgl. ook HR 15 februari 1979, NJ 1979, 292 (Th.W.v.V.); Corstens, "Het Nederlands Strafprocesrecht" (1995), p. 486 over "ad informandum" gevoegde zaken. Met het oog hierop heeft de Officier van Justitie – op de hoogte gesteld van het beklag – dan ook in casu juist gehandeld door de dagvaarding in afwachting van de uitslag daarvan in te trekken onder mededeling aan verdachte dat zulks geen einde van de strafvervolging impliceerde. Zie de onder 4 hierboven geciteerde overweging 8 van het Hof.
iSv.). Onder 6.2.1., p. 92, 93, werkt hij dat nader uit. Zo ook in "Het Nederlands Strafprocesrecht" (1995), p. 487. Knigge heeft dit op de onder 12 hierboven aangehaalde plaats (artikel 12
i, punt 11, p. 25/26-28) genuanceerd.
iSv., althans de artt. 12-13
aSv.
ivan het Wetboek van Strafvordering althans van de artikelen 12-13
avan dat Wetboek, doordat het Hof in zijn hierboven onder 1-4 bedoelde beschikking klagers in hun hierboven onder 1 weergegeven beklag niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat onder de in de beschikking aangenomen omstandigheden, hierboven onder 4 in rechtsoverweging 8 aangegeven, niet kan worden gezegd dat zich de situatie voordoet als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, te weten dat een strafbaar feit niet wordt vervolgd of de vervolging niet wordt voortgezet. De beklagregeling die in genoemde artikelen is neergelegd, brengt immers mee dat de hantering van het opportuniteitsbeginsel (en de beoordeling van de haalbaarheid) door het Openbaar Ministerie in volle omvang door het Hof wordt getoetst, daaronder begrepen op grond van welke strafrechtelijke kwalificatie de gepleegde feiten zullen worden vervolgd.