Conclusie
Zitting 7 juni 1996
a. of Hoondert haar wettelijke verplichting tot een veilige inrichting van de werkplek en
b. tot het geven van aanwijzigen aan haar personeel is nagekomen, en
c. indien de vragen a en b ontkennend moeten worden beantwoord, of Pollemans
dientengevolgeschade heeft geleden. Art. 7A:1638x BW legt immers, aldus de kantonrechter, een causaal verband tussen een niet veilige werkplek en/of het ontbreken van instructies enerzijds en de schadevergoedingsplicht anderzijds. Hij voegt hieraan toe dat indien, zoals Hoondert stelt, Pollemans zich zou hebben begeven op het gedeelte van het dak waar geen enkele bescherming aanwezig was, maar waar hij in verband met zijn werkzaamheden ook niet behoefde te komen en hem bovendien was aangezegd dat hij op die dakgedeelten niet mocht komen, zijn actie tegen Hoondert mogelijk zou moeten falen.
in: Geers (red.), Schets Arbeidsomstandighedenrecht, 1991 p. 179-183; Bolt, preadvies NJV 1996, p. 101-104. Het enkele feit dat een werknemer een onnodig en verwijtbaar risico heeft genomen, is niet voldoende, aldus HR 27 maart 1992, NJ 1992, 496. Zie ook HR 7 december 1990, NJ 1991, 596, waarin met betrekking tot het vergelijkbare begrippenpaar opzet of bewuste roekeloosheid van art. 83c Zfw gesproken is van een uitzonderingsbepaling waaraan zware eisen moeten worden gesteld.
Wat deze motivering betreft, geldt dat voor zover de rechtbank haar beslissing (mede) gegrond heeft op de overweging dat het letsel ook zou zijn opgetreden indien Hoondert wèl de (wettelijke) veiligheidsvoorschriften was nagekomen, die beslissing in het licht van wat Pollemans , mede op basis van het rapport van de Arbeidsinspectie, heeft gesteld over de tekortschietende veiligheidsmaatregelen van Hoondert , alsook in het licht van de discussie die partijen daarover in de procedure hebben gevoerd, zonder nadere motivering niet begrijpelijk is. Ik teken hierbij aan dat de rechtbank niet heeft vastgesteld of geoordeeld dat het veiligheidsniveau dat Hoondert heeft bereikt met de wèl door haar getroffen veiligheidsmaatregelen even hoog was als wanneer zij de (wettelijke) veiligheidsvoorschriften had nageleefd. Evenmin heeft de rechtbank vastgesteld of geoordeeld dat de veiligheidseisen die volgens Pollemans in acht genomen hadden moeten worden, niet realiseerbaar waren, omdat ze, zoals Hoondert had gesteld en Pollemans had betwist, de uitvoering van het werk onmogelijk zouden maken. Zie in dit verband ook HR 17 november 1995, NJ 1996, 144.
Voor zover de beslissing van de rechtbank (mede) zou steunen op de overweging dat de eventuele fouten van Hoondert in het niet vallen bij de fouten die Pollemans kunnen worden verweten, is de beslissing eveneens onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, nu de rechtbank heeft nagelaten vast te stellen welke fouten van welke ernst Hoondert heeft gemaakt, alsmede heeft nagelaten kenbaar te maken of en, indien ja, in hoeverre zij bij haar oordeel over de ernst van de aan Pollemans verweten fout, het ervaringsgegeven heeft meegewogen dat het dagelijks op grote hoogte verrichten van werkzaamheden, tot onvoorzichtigheid leidt.
onderdeel 3en de
eerste klacht van onderdeel 4van het cassatiemiddel die erover klagen dat de rechtbank heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over causaal verband en over bewust roekeloos handelen in de zin van art. 7A:1638x BW, althans dat de rechtbank haar beslissingen hierover niet naar de eisen der wet heeft gemotiveerd. Ik meen dat na cassatie en verwijzing de beslissing in het onderhavige geval over de al of niet aansprakelijkheid van Hoondert in haar geheel overgedaan moet worden, zowel ten aanzien van de vraag of en, indien ja, in welk(e) opzicht(en) Hoondert in haar (wettelijke) veiligheidsverplichtingen is tekortgeschoten, als ten aanzien van de vraag naar het causale verband, als ten aanzien van de vraag of Pollemans grove schuld in de zin van art. 7A:1638x BW kan worden verweten. Daardoor kunnen de
onderdelen 1, 2 en 5onbesproken blijven, omdat ze betrekking hebben op de vaststelling en waardering van omstandigheden voor het oordeel dat Pollemans bewuste roekeloosheid in de zin van art. 7A:1638x BW is te verwijten en de rechtbank hierbij, als gezegd, mogelijk van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. De verwijzingsrechter zal de vaststelling en waardering van de voor het oordeel over bewuste roekeloosheid relevante omstandigheden derhalve opnieuw moeten maken (indien hij er althans aan toekomt, omdat hij eerst over de beweerde tekortkomingen van de werkgever en over het causale verband moet oordelen – zie de conclusie van A-G Franx voor HR 10 juni 1983, NJ 1984, 20, p. 81, r.k.).
tweede klacht van onderdeel 4, inhoudende dat indien Pollemans grove schuld in de zin van art. 7A:1638x BW kan worden verweten, art. 6:101 BW Pro toepasselijk is, waardoor naar de mate dat het ongeval en het daardoor veroorzaakte letsel mede aan Hoondert is toe te rekenen, Pollemans een deel van zijn schade van Hoondert kan vorderen. In HR 9 januari 1987, NJ 1987, 848 is over de omgekeerde situatie van aansprakelijkheid van de werkgever waarbij tevens spraken was van eigen schuld, zij het niet grove eigen schuld van de werknemer, negatief beslist. Zie hierover onder meer Roelvink, Aansprakelijkheid van de werkgever,
in: Personenschade door bedrijfsongevallen, 1993, p. 3-4, alsmede voor een overzicht van diverse opvattingen Bier, Aansprakelijkheid voor bedrijfsongevallen en beroepziekten, diss. 1988, p. 284-290. Ik zou menen dat in de onderhavige situatie hetzelfde moet gelden als in HR 9 januari 1987 is beslist. Mijn argument is dat alvorens de werknemer "opzet of bewuste roekeloosheid" kan worden verweten, aan zodanig hoge eisen van toerekenbaarheid moet zijn voldaan dat daartegenover de tekortkomingen van de werkgever in het niet vallen. Dit betekent dat voor art. 6:101 BW Pro (vrijwel) geen reële feitelijke grondslag aanwezig is. Alleen indien zich een ontwikkeling gaat voordoen waarin minder hoge eisen worden gesteld aan opzet of bewuste roekeloosheid, zou wellicht (bij wege van overgangssituatie) een nadere correctie ten laste van de werkgever met behulp van art. 6:101 BW Pro dienstig kunnen zijn. Fraai zou ik dat overigens niet vinden, omdat eenzelfde resultaat ook rechtstreeks op grond van art 7A:1638x BW zou kunnen worden gebaseerd en die weg naar mijn mening verre de voorkeur verdient boven de opeenstapeling van twee eigen schuld-bepalingen (art. 6:101 BW Pro en art 7A:1638x lid 2 slot BW).