Conclusie
onderdelen 1 en 2van het middel klagen over r.o. 4.1 van 's hofs beschikking, waarin het betoog van [betrokkene] e.a. dat een hogere immateriële schadevergoeding dan de toegekende ƒ 500,-- dient te worden toegekend, wordt afgewezen. Gezien de door [betrokkene] e.a. voorgestelde beoordelingscriteria en hun (te bewijzen aangeboden) stellingen omtrent de spanningen en frustraties waartoe de vernietigde beschikkingen hebben geleid, achten deze onderdelen de bestreden beschikkingen onvoldoende gemotiveerd.
Onderdeel 3klaagt over het oordeel van het hof met betrekking tot de kosten van rechtsbijstand. Het onderdeel betoogt, mede met een beroep op artikel 5 EVRM Pro en rechtspraak van het EHRM, dat het hof ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij het liquidatietarief en heeft miskend dat de reële kosten van rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen.