ECLI:NL:PHR:1996:29

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 november 1996
Publicatiedatum
9 december 2020
Zaaknummer
3582
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 103 SvArt. 94a SvArt. 94c SvArt. 700 lid 1 RvArt. 702 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling geldigheid conservatoir beslag bij ontbreken schriftelijke machtiging

De zaak betreft een verzoek tot teruggave van een inbeslaggenomen personenauto, waarbij het geschil draaide om de geldigheid van de machtiging tot het leggen van conservatoir beslag. De rechtbank had het klaagschrift van verzoeker ongegrond verklaard. Het centrale punt was dat de machtiging door de rechter-commissaris mondeling was verleend en pas later schriftelijk bevestigd, terwijl de wet schriftelijke machtiging voorschrijft.

De Hoge Raad bevestigde dat de schriftelijke machtiging vereist is om vast te stellen dat een rechterlijk onderzoek naar de gegrondheid van de vordering heeft plaatsgevonden. Echter, het enkele feit dat de machtiging mondeling werd verleend en later schriftelijk bevestigd, maakt het beslag niet nietig, mits het bewijs van het rechterlijk onderzoek op andere wijze kan worden geleverd, zoals in deze zaak het geval was.

Daarnaast werd overwogen dat het niet direct voldoen aan de verplichting tot betekening van de machtiging niet leidt tot nietigheid van het beslag, vooral omdat verzoeker op de dag van beslaglegging op de hoogte was gesteld en het bedrag waarvoor verhaal wordt uitgeoefend in de stukken vermeld stond. Het verzuim van formaliteiten werd als onvoldoende reden gezien om het beslag ongeldig te verklaren.

De conclusie van de Hoge Raad was dat het middel tot cassatie faalt en dat er geen aanleiding is om ambtshalve te vernietigen. De beslaglegging wordt als rechtsgeldig beschouwd ondanks de formele tekortkomingen.

Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat het conservatoir beslag rechtsgeldig is ondanks het ontbreken van een schriftelijke machtiging op het moment van beslaglegging.

Conclusie

Nr. 3582 Besch.
Parket, 13 november 1996
Mr. Van Dorst
Conclusie inzake:
[klager]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij beschikking van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage is verzoekers klaagschrift strekkende tot teruggave van een onder hem inbeslaggenomen personenauto (Mercedes), ongegrond verklaard.
2. Namens verzoeker heeft mr. P. Suringa, advocaat te Wateringen, één middel van cassatie voorgesteld.
3. In casu heeft de rechtbank als vaststaand aangenomen:
a. dat het OM reeds op de dag van het oprollen van verzoekers hennepkwekerij aan de R–C (mondeling) een machtiging tot het leggen van conservatoir beslag op de auto heeft gevraagd;
b. dat de R–C die machtiging op 2 april 1996 mondeling heeft verleend;
c. dat hij deze mondelinge beslissing op 11 april 1996 schriftelijk heeft bevestigd.
4. Art. 103 lid 1 Sv Pro schrijft voor dat een machtiging tot het leggen van conservatoir beslag ex art. 94a Sv schriftelijk moet worden verleend. Uit art. 94c Sv volgt — en de wetsgeschiedenis [1] bevestigt dit — dat de wettelijke regeling inzake het civielrechtelijke conservatoir beslag als model heeft gefungeerd, met dien verstande dat het verlof niet behoeft te worden verleend door de president van de rechtbank [2] . In de plaats daarvan treedt de machtiging van de R–C [3] . In afwijking van de civielrechtelijke eis dat het beslagrekest en het daarop verleende verlof met het beslagexploit aan de beslagene betekend moeten worden [4] , gelden in een strafzaak als de onderhavige de regels van art. 103 lid 2 Sv Pro [5] en art. 94c sub b Sv [6] . Deze laatste bepaling is in de Memorie van Toelichting [7] als volgt toegelicht:
‘’Pas door de rechterlijke uitspraak ontstaat een concrete vordering van de staat op degene aan wie de straf of maatregel is opgelegd. Ook al is ten tijde van het leggen van conservatoir beslag het bedrag van de vordering nog niet vastgesteld, dat neemt niet weg dat van de Officier van Justitie bij het leggen van een beslag krachtens art. 126b, eerste lid, als voorgesteld, of bij het doen van een vordering ex art. 103, als voorgesteld, verlangd mag worden een maximum bedrag aan te geven waarvoor het beslag wordt of zou moeten worden gelegd. Nu art. 700 (nieuw) Rv niet van overeenkomstige toepassing is, dient op andere dan de in art. 702, tweede lid, (nieuw) Rv voorziene wijze aan de beslagene het bedrag waarvoor beslag is gelegd, kenbaar te worden gemaakt. Dit, zo wordt in art. 94c, onder b, voorgeschreven, dient in het proces-verbaal van inbeslagneming of het beslagexploit te worden opgenomen. Het belang van het vermelden van een maximumbedrag is gelegen in het kunnen aanbieden van een zekerheidstelling als bedoeld in art. 118b als voorgesteld, alsmede in de kenbaarheid voor derden die in de beslagen voorwerpen mogelijk ook verhaalsobjecten voor hun vorderingen zien’’.
5. Het middel bestrijdt de juistheid van het oordeel van de rechtbank ‘’dat het beslag rechtsgeldig is gelegd’’, nu te dezen niet is voldaan aan het voorschrift van art. 103 lid 1 Sv Pro dat de machtiging door de R–C
schriftelijkmoet worden verleend.
6. De eis dat de machtiging schriftelijk moet worden verleend, dient om in rechte te kunnen vaststellen dat het aan die machtiging ten grondslag liggende (summiere) rechterlijk onderzoek naar de gegrondheid van de vordering heeft plaatsgevonden [8] . Gelet op die ratio noopt het enkele feit dat de machtiging mondeling is verleend en nadien schriftelijk is bevestigd, naar mijn mening niet tot de conclusie dat deswege het op basis van de mondelinge machtiging gelegde beslag van onwaarde wordt beschouwd, mits het bewijs van het voordien ingestelde rechterlijk onderzoek op andere wijze kan worden geleverd, gelijk te dezen het geval is. Het middel betwist trouwens ook niet dat deze rechterlijke toetsing heeft plaatsgevonden. Bij deze stand van zaken treft het middel geen doel.
7. Hoewel het middel daarover niet klaagt, meen ik dat aan de geldigheid der beslaglegging ook niet afdoet dat het OM niet aanstonds heeft voldaan aan zijn verplichting ex art. 103 lid 2 Sv Pro tot betekening der verleende machtiging omdat dit verzuim was hersteld toen de rechtbank besliste [9] . Een ander punt dat de schriftuur onbesproken laat, is dat in casu niet blijkt van betekening van de beslagstukken. Maar ook dat verzuim tast naar mijn mening de rechtsgeldigheid van het beslag niet aan
a. omdat blijkens het proces-verbaal van de politie verzoeker reeds op 2 april 1996 op de hoogte is gesteld van de beslaglegging en hij toen tevens is gewezen op zijn recht om daartegen een klaagschrift in te dienen.
b. volgens de raadsman op 2 juli 1996 een afschrift van het proces-verbaal is verstrekt.
c. het bedrag waarvoor het recht van verhaal zal worden uitgeoefend, is vermeld in de stukken die bij de behandeling in raadkamer zijn uitgereikt.
d. verzoeker geen concreet aanbod tot zekerheidstelling als bedoeld in het huidige art. 118a Sv heeft gedaan.
e. verzuim van betekeningstermijnen geen nietigheid van het beslag meebrengt; zie art. 94c sub d Sv.
8. Slotsom moet zijn dat de inachtneming der formaliteiten rondom de beslaglegging geenszins de schoonheidsprijs verdient. Nochtans behoeft het middel niet tot cassatie te leiden; evenmin zijn er zwaarwegende gronden waarop Uw Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid om de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Voetnoten

1.Handelingen II 1989-1990, 21 504, nr. 3, blz. 24.
2.Art. 700 lid 1 Rv Pro.
3.Art. 103 Sv Pro voor een incidentele machtiging.
4.Art. 702 lid 2 Rv Pro.
5.Inhoudende dat de verleende machtiging zo spoedig mogelijk dient te worden betekend.
6.Inhoudende dat het maximumbedrag waarvoor het recht tot verhaal zal worden uitgeoefend, moet worden vermeld in het proces-verbaal van inbeslagneming of in het beslagexploit.
7.Handelingen II 1989-1990, 21 504, nr. 3, blz. 24.
8.Zie art. 700 lid 2 Rv Pro.
9.De machtiging is uitgereikt bij de behandeling van het klaagschrift in raadkamer op 8 juli 1996.