Conclusie
eerstemiddel klaagt over de verwerping van het ter terechtzitting gedane beroep op noodweer. Het hof heeft het verweer in zijn arrest als volgt samengevat en verworpen:
Ik had echter al afgesproken daar naar toe te gaan. Voordat ik daar naar toe ging had ik mijn pistool van huis meegenomen.Ik heb [betrokkene 1] onderschat. Ik kwam [betrokkene 1] daar weer tegen.
mogelijkeconfrontatie van een wapen te voorzien, noodzakelijk kan zijn zoals ook het gepleegde feit geboden kan zijn.
welbewustis gegaan naar een plaats waar hij [betrokkene 1] kon verwachten, berust op een verkeerde lezing van 's hofs arrest. Zoals hierboven reeds is aangegeven ligt in de aangevallen motivering besloten dat verzoeker zich willens en wetens heeft begeven naar een plaats waar naar hij redelijkerwijs kon vermoeden [betrokkene 1] zich ophield.
tweedemiddel gaat evenmin op omdat het hof feitelijk en niet-onbegrijpelijk en deswege in cassatie onaantastbaar vaststellend dat een noodweersituatie ontbrak — waarin besloten ligt dat er geen verdedigingsnoodzaak bestond — het beroep op noodweerexces verworpen heeft op gronden die geen blijk geven van miskenning van het bepaalde in art. 41 lid 2 Sr Pro. Vgl. HR DD 93.377 en NJ 1993, 691 nt 't H.
derdemiddel betreft de strafoplegging.