Conclusie
causa proxima toets(HSR 12e dr., p. 161) en van de
relevantietheoriein haar “zuivere”, niet door “het sluitstuk van de redelijke toerekening” (G.E. Mulder, Causaliteit in het strafrecht, in Strafrecht in perspectief 1980, p. 193) gecorrigeerde, vorm leidt naar mijn mening tot de uitkomst die het middel voorstaat. De beslissing van het slachtoffer is de naaste voorwaarde voor het ingetreden gevolg en (relevantietheorie) de meest relevante oorzaak. Bij toepassing van de
adequatietheorie, in het bijzonder in de versie van Träger (HSR, p. 163), hangt de uitkomst af van het antwoord op de vraag of de beslissing van het slachtoffer tot de factoren behoort waarmee de “einsichtigste Mensch” op het moment van de handeling bekend kon zijn. Het is nauwelijks denkbaar dat deze theorie in het geval van een eigen keuze van het slachtoffer bij de rechterlijke oordeelsvorming een rol heeft gespeeld: als een ander ten slotte bepaalt welke van twee mogelijkheden hij in door mij geschapen omstandigheden kiest, kan ik niet weten, hoogstens vermoeden, wat hij kiest. Met dit vermoeden treedt de
redelijke voorzienbaarheidals maatstaf op. Oorzakelijk verband is dan de verbinding tussen gevolg en delict, waarbij het (in de woorden van Remmelink in HSR, 12e dr., p. 165) gaat om
redelijke toerekening, als correctie ter bereiking van een maatschappelijk aanvaardbaar resultaat ingebouwd in de causale redenering die gebaseerd is op de (een vorm van de) theorie van de conditio-sine-quo-non. Vgl. G.E. Mulder, t.a.p.; HSR, p. 169; De Jong en Knigge in hun bewerking van Van Bemmelen/Van Veen (1994), p. 70-71 [1] . De voorzienbaarheid van het gevolg speelt dan geen beslissende rol. De Jong en Knigge geven (op p. 71) het voorbeeld van het slachtoffer van een moordaanslag dat naar het ziekenhuis wordt vervoerd en daar ten gevolge van een medische fout overlijdt [2] :
strafrechtelijkeaansprakelijkheid, een grens van “de versterking en verheldering van de rechtspositie van de patiënt” (B. Sluyters in WPNR 5982, p. 761) in zicht. Het hof oordeelt dat de beslissing van het slachtoffer berust op het ontbreken van een menswaardig perspectief en dat het uitzicht op een menswaardig bestaan door toedoen van verzoeker is weggevallen. In dat geval, aldus het hof, staat de eigen beslissing van het slachtoffer niet aan toerekening van de dood aan (de handelwijze van) verzoeker in de weg [7] . In de opvatting van het hof heeft verzoeker de omstandigheden in het leven geroepen, die het slachtoffer tot haar beslissing hebben gebracht. Verzoeker heeft door zijn daad de “area of choice” voor het slachtoffer verengd en haar gedwongen uit twee “kwaden” te kiezen. De beslissing voor de dood als het naar haar mening “lesser of the two evils” (Hart-Honoré, o.c., p. 76) is door verzoekers daad veroorzaakt.
conditio-sine-qua-non(of
equivalentie-; HSR, p. 160, 166; De Jong/Knigge, a.w., p. 69) theorie. Ik verwijs in dit verband nog naar het door A.M. Machielse in Kroniek van het strafrecht 1991 (p. 24) genoemde HR NJ 1991, 302, waarin de Hoge Raad in stand liet het oordeel van het hof dat de dood van het slachtoffer een onmiddellijk en rechtstreeks gevolg was van het slaan door verdachte en de val van het slachtoffer op het trottoir.