ECLI:NL:PHR:1996:52
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep op verzwijging bij verzekeringsovereenkomst en vereenzelviging directeur met vennootschap
De zaak betreft een geschil tussen Aegon Schadeverzekering NV en een besloten vennootschap ([verweerster]) over de geldigheid van een opstalverzekering. Aegon stelde dat de verzekering nietig is wegens verzwijging of verkeerde opgave van relevante feiten, waaronder eerdere branden, opzeggingen, faillissementen en bodemverontreiniging. Centraal stond de vraag wie als aanvrager van de verzekering moest worden beschouwd: de directeur ([betrokkene 1]) of de vennootschap zelf.
De rechtbank wees de vordering van [verweerster] af, maar het hof oordeelde dat de mededelingsplicht slechts de aanvrager ([betrokkene 1]) betrof en verwierp het beroep van Aegon op verzwijging tegen de vennootschap. De Hoge Raad stelde vast dat het hof ten onrechte buiten de rechtsstrijd trad door niet te onderzoeken of de verzwijging aan de vennootschap kon worden toegerekend, aangezien de directeur namens de vennootschap handelde.
De Hoge Raad benadrukte dat de mededelingsplicht rust op de verzekeringnemer en dat het in het algemeen niet zonder meer kan worden aangenomen dat een vennootschap ook voor haar directeur of gelieerde vennootschappen moet instaan voor mededelingen. De zaak werd vernietigd en verwezen voor verdere behandeling, waarbij de toerekening van de verzwijging aan de vennootschap nader moet worden onderzocht.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nadere beoordeling van de toerekening van verzwijging aan de verzekeringnemer en haar directeur.