Conclusie
Parket 28 juni 1996
[verzoeker]
Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of het verzoek niet ontvankelijk moet worden geacht, omdat op het object in kwestie de Huurwet niet van toepassing is. Hoewel het bedrijf van [verweerder] een ambachtsbedrijf betreft, wordt deze vraag ontkennend beantwoord. In dat verband wordt erop gewezen dat er niet vanuit kan worden gegaan dat zich in het object een voor het publiek toegankelijk lokaal bevindt voor rechtstreekse levering van roerende zaken dan wel dienstverlening. Immers vast staat dat het in casu gaat om één grote ruimte, waarin zich in een klein gedeelte daarvan een bureau bevindt met hooguit twee stoelen. Voorts dat bij de ingang niet vermeld is op welke tijden het bedrijf geopend is, dat de toegangsdeur gebruikelijk op slot is en dat [verweerder] naar eigen zeggen niet meer dan 20% van zijn omzet behaalt uit verkoop van particulier drukwerk zoals geboortekaartjes, terwijl hij daarvoor evenmin reclame maakt."
[verweerder] heeft immers in de drukkerij in ieder geval een plek waar hij klanten kan ontvangen en waar contact tussen hem en zijn klanten mogelijk is. Dat dit contact niet in een aparte, daartoe ingerichte ruimte maar in de drukkerij zelf plaats vindt, doet daaraan niet af. Dit brengt de aard van het bedrijf immers mee: het gaat immers om een klein, ambachtelijk bedrijf ten aanzien waarvan slechts de eis hoeft te gelden dat [verweerder] in zijn drukkerij door klanten kan worden opgezocht. Dat de toegangsdeur daartoe niet altijd openstaat, is evenmin van doorslaggevend belang: terecht heeft [verweerder] betoogd dat het toegankelijk zijn van de bedrijfsruimte gepaard kan gaan met het controleren en zo nodig weren van niet welkome bezoekers."
middelkeert zich tegen de zojuist aangehaalde rechtsoverweging van de Rechtbank en voert allereerst aan dat deze overweging blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien de Rechtbank zou hebben miskend dat voor de kwalificatie als bedrijfsruimte in de zin van art. 7A:1624 BW niet beslissend is of de verhuurde ruimte de mogelijkheid biedt om klanten te ontvangen, maar of de onderneming van dien aard is dat publiek zich in relevante mate bij de onderneming vervoegt voor de rechtstreekse levering van roerende zaken of diensten.
aanwezig is, en verder geen voorwaarden stelt ten aanzien van de mate waarin door het publiek daarvan gebruik gemaakt wordt. De Rechtbank heeft feitelijk en in cassatie onbestreden vastgesteld dat [verweerder] in het gehuurde een plek heeft waar hij klanten kan ontvangen en waar contact tussen hem en zijn klanten mogelijk is. De aanwezigheid van een verkooppunt voor het publiek staat dus vast, zodat aan de letter van de door art. 7A:1624 BW gestelde voorwaarde is voldaan.
conclusiestrekt tot verwerping van het beroep.