ECLI:NL:PHR:1996:AA1734
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt redelijke wetstoepassing bij temporisering investeringsbijdragen en desinvesteringsbetalingen
De zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch over de toepassing van de Wet WIR-knip in de vennootschapsbelasting.
Belanghebbende, een commanditaire vennootschap, investeerde in 1987 in een zalmverwerkingslijn en claimde investeringsbijdragen die gespreid moesten worden uitbetaald volgens de Wet WIR-knip. Na verkoop van het bedrijfsmiddel in 1988 werd een desinvesteringsbetaling opgevoerd. De belastingdienst legde een navorderingsaanslag op waarin 80% van de investeringsbijdragen werd meegenomen, maar het hof vernietigde deze navorderingsaanslag.
De kern van het geschil was of de investeringsbijdragen die nog niet daadwerkelijk waren ontvangen, maar wel waren verrekend, getemporiseerd moesten worden uitbetaald bij een desinvesteringsbetaling die betrekking heeft op hetzelfde bedrijfsmiddel. De Hoge Raad bevestigde dat de wetgever met de Wet WIR-knip wilde voorkomen dat ondernemers investeringsbijdragen moeten terugbetalen die zij nog niet hebben ontvangen, en dat het criterium van hetzelfde bedrijfsmiddel minder relevant is dan het feitelijk genoten zijn van de investeringsbijdrage.
Daarom is de redelijke wetstoepassing dat investeringsbijdragen die nog niet zijn ontvangen niet getemporiseerd worden uitbetaald bij een desinvesteringsbetaling op hetzelfde bedrijfsmiddel. Het hof heeft dit terecht zo beoordeeld, en het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt verworpen en de uitspraak van het hof bevestigd.