VI. . Beoordeling van het middel.
A. . Zoals de bewindslieden in de Memorie van toelichting hebben verklaard, is de Wet WIR-knip in het leven geroepen om de reeds ontstane, maar nog niet in een belastingaanslag verrekende, aanspraken op investeringsbijdragen gespreid uit te betalen.
B. . Uit de Nota naar aanleiding van het eindverslag blijkt dat de wetgever heeft willen voorkomen dat verlies lijdende ondernemers ter zake van de investering in een bedrijfsmiddel dat in een volgend jaar wordt verkocht, eerst de (nog niet ontvangen) investeringsbijdrage met betrekking tot dat bedrijfsmiddel in haar geheel zouden moeten "terugbetalen" om vervolgens in de toekomst deze investeringsbijdrage gespreid uitbetaald te krijgen. In dit geval heeft de wetgever willen voorkomen dat de (verlies lijdende) ondernemer de hem toekomende investeringsbijdrage zelf zou moeten voorfinancieren.
C. . De wetgever heeft daarbij het criterium gelegd bij het al dan niet op hetzelfde bedrijfsmiddel betrekking hebben van de desinvesteringsbetaling en de investeringsbijdrage.
D. . De grond voor dit criterium werd gevonden in de veronderstelling dat de ondernemer de met de desinvesteringsbetaling corresponderende investeringsbijdrage reeds daadwerkelijk zou hebben genoten.
E. . Daarbij moeten de bewindslieden en de Kamerleden over het hoofd gezien hebben (hetgeen gezien de gecompliceerdheid van de materie alleszins begrijpelijk is) dat bij een desinvesteringsbetaling de corresponderende investeringsbijdrage ook nog niet genoten is indien die investeringsbijdrage weliswaar op een voorafgaand jaar betrekking heeft, maar ook nog niet tot een daadwerkelijke betaling heeft geleid.
F. . Brengt men zich die situatie te binnen, hetgeen in het onderhavige geval onvermijdelijk is nu zij zich in concreto voordoet, dan blijkt het criterium - hetzelfde bedrijfsmiddel - minder goed op de gedachtengang te passen dan de grondslag ervan - daadwerkelijk genoten zijn van de investeringsbijdra-
ge -.
G. . Dat blijkt ook uit het voorbeeld van de resolutie, waarin tussen het jaar van investering en het jaar van desinvestering een jaar valt met een zo hoge winst dat de op dat moment bestaande aanspraken op investeringsbijdragen volledig met de belasting verrekend konden worden.
H. . De onderhavige situatie verschilt in zoverre van het in de Nota naar aanleiding van het eindverslag geschetste geval dat er in casu in het desinvesteringsjaar, 1988, ook is ge-ïnvesteerd. Door de werking van artikel 23b, lid 1, Wet Vpb. 1969 dient de desinvesteringsbetaling dan verrekend te worden met de (hogere) investeringsbijdrage uit 1988, die geen betrekking heeft op het bedrijfsmiddel dat is verkocht. Naar de letter van de Wet WIR-knip zou deze investeringsbijdrage, die immers is verrekend, getemporiseerd dienen te worden uitbetaald.
I. . Met het Hof meen ik evenwel dat de wetgever een dergelijk resultaat niet heeft gewild. Er is immers sprake van de situatie dat met betrekking tot het verkochte bedrijfsmiddel nog geen investeringsbijdrage is ontvangen: dat zal er pas van komen indien de belanghebbende betere ondernemingsresultaten behaalt; in zoverre is de desbetreffende investeringsbijdrage latent gebleven.
J. . Naar mijn mening heeft het Hof derhalve terecht op grond van redelijke wetstoepassing, in verband met de veronderstelde bedoeling van de wetgever, temporisering van deze investeringsbijdragen achterwege gelaten. De toepassing van de Wet WIR-knip in deze situatie zou immers niet tot gespreide uitbetaling van een ontvangen of verrekende investeringsbijdrage leiden, maar tot voorfinanciering door de ondernemer van een nog niet gerealiseerde aanspraak op een investeringsbijdrage.
K. . Uit het bovenstaande volgt dat naar mijn mening het middel faalt.
VII. . Conclusie.
Het middel ongegrond bevindende, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,